In de periode na de Tweede Wereldoorlog werd Italië in rap tempo een industriële natie, terwijl het daarvoor altijd een agrarisch land was geweest. Vandaag de dag zijn Italiaanse producten over de hele wereld populair. Als er niet zo veel problemen met de belastingen en de maffia zouden zijn, was Italië één van de rijkste economieën ter wereld geweest. Nu is er een duidelijke onderverdeling in het rijke noorden en het arme zuiden, wat separatisten als de Lega Nord in de kaart speelt. De Italiaanse economie is een zorgenkindje.

Er is in Italië een duidelijke kloof tussen het rijke noorden het het arme zuiden. Al halverwege de vorige eeuw werd de economie van het zuiden van Italië gestimuleerd vanuit een ontwikkelingsfonds. Ook de Europese Unie geeft al jaren financiële steun aan de ‘Mezzogiorno’. De steunmaatregelen hebben wel geholpen – in de zin dat ze geleid hebben tot een hogere welvaart in het zuiden van Italië – maar tot nu toe lukt het Zuid-Italië maar niet om op gelijke voet met het noorden te komen.

Ruwweg een derde van de Italiaanse economie vindt plaats onder tafel, wat naar nu blijkt een steeds groter probleem vormt. Een corruptie overheid en het ontduiken van belastingen door particulieren en bedrijven gebeuren op grote schaal en horen volgens sommigen bij de cultuur van het land. Als alles in Zuid-Italië volgens de regels zou gaan, zo bleek uit onderzoek, dan zou de regio net zo rijk als Noord-Italië zijn. Nu verdwijnt veel te veel geld in handen van de verkeerde personen.

Italiaanse economie

De rol van de overheid in de Italiaanse economie

De Italiaanse economie is lang een staatsgeleide economie geweest. Naast traditionele overheidsbedrijven die we ook in Nederland kenden (zoals nutsvoorzieningen en de spoorwegen) had de Italiaanse staat ook veel andere bedrijven in handen: olie-industrie, scheepsbouw, machines, staalindustrie. Pas sinds het midden van de jaren negentig is er een tendens zichtbaar naar privatisering, mede onder Europese druk.

Bijzonder is dat Italiaanse bedrijven gemiddeld niet erg groot zijn. Liefst negentig procent van de bedrijven heeft tussen de 10 en 500 werknemers. Italië is een land van voornamelijk kleine familiebedrijfjes.

Een klein percentage van de Italianen werkt nog altijd in de landbouw, maar die sector levert geen grote bijdrage aan de economie meer. Italië is wel soms de grootste wijnproducent ter wereld (afgewisseld met Frankrijk). De belangrijkste exportproducten zijn textiel en kleding, metalen, machines, chemische producten, auto’s en motoren. Italië bezit van zichzelf vrijwel geen grondstoffen (in tegenstelling tot Nederland met zijn aardgas) en moet die dus – net als zijn energie – invoeren. Een andere belangrijke component van de Italiaanse economie wordt gevormd door het toerisme. Vanuit de hele wereld stromen bezoekers naar Italië om met eigen ogen de Toren van Pisa, het Colosseum, de Griekse tempels en vele andere bijzonders bezienswaardigheden uit het centrum van het voormalige Romeinse rijk te bekijken.

Tot 1983 hadden de vakbonden in Italië veel macht, wat bijzonder slecht voor de economie is geweest. De vakbonden blokkeerden vrijwel alle plannen om de kwakkelende economie er bovenop te helpen. Na de aankondiging door Fiat dat een groot deel van het personeel ontslagen zou worden, riepen de bonden op tot een staking die meer dan een maand zou duren. Maar de werknemers werden het beu. Op zekere dag gingen 40.000 werknemers van Fiat de straat op om te demonstreren tégen de vakbonden. Dat was een historische gebeurtenis, die op navolging kon rekenen.

In het tweede decennium van de 21ste eeuw komt de Italiaanse economie als gevolg van de wereldwijde crisis in de problemen. De Italiaanse premier Berlusconi die steeds weer een uitweg uit alle problemen weet, redt het dit keer ook niet meer. Een kabinet van technocraten onder leiding van Mario Monti moet de Italiaanse economie uit het slop trekken. Hiervoor zijn ongekende bezuinigingen nodig. Daarnaast moet het ontduiken van belasting keihard worden aangepakt. De Italiaanse economie is als vierde van Europa ‘too big to fail’.