Economie van Italië
Na de Tweede Wereldoorlog veranderde Italië snel van een agrarisch land in een industriële natie. Vooral in het noorden ontstonden vele nieuwe industrieën. Dat maakte de kloof met het arme zuiden groter.
Al in 1950 werd er een ontwikkelingsfonds voor het zuiden ingesteld en ook de Europese Unie geeft economische steun aan de regio. De uitgebreide steunmaatregelen hebben wel geleid tot een verhoging van de welvaart, maar Zuid-Italië slaagt er niet in de kloof met het noorden te overbruggen.
Zo’n 30% van de Italiaans economie vindt plaats onder tafel. Zwartwerken en corruptie zijn een integraal onderdeel van Italië en een verklaring voor de rijkdom van sommigen. Een onderzoek in 2003 wees uit dat als in Zuid-Italië alles volgens het boekje zou gaan, de regio net zo rijk zou zijn als Noord-Italië. Nu verdwijnt veel geld in handen van onder meer de maffia.
De overheid heeft lang een grote rol gespeeld in de economie. Naast traditionele overheidsbedrijven als nutsvoorzieningen en de spoorwegen had de Italiaanse staat ook veel andere bedrijven in handen: olie-industrie, scheepsbouw, machines, staalindustrie. Sinds het midden van de jaren negentig is er een tendens zichtbaar naar privatisering.
Bijzonder is dat Italiaanse bedrijven gemiddeld niet erg groot zijn. Liefst negentig procent van de bedrijven heeft tussen de 10 en 500 werknemers.
Vijf procent van de Italianen werkt in de landbouw, maar voor de economie is deze sector niet van groot belang. Italië is wel soms de grootste wijnproducent ter wereld (afgewisseld met Frankrijk). De belangrijkste exportproducten zijn textiel en kleding, metalen, machines, chemische producten, auto’s en motoren.
Italië heeft vrijwel geen grondstoffen en moet die dus invoeren. Ook energie wordt voor het grootste deel geïmporteerd.
Tot 1983 hadden de vakbonden in Italië veel macht. Ze blokkeerden vrijwel alle plannen om de sukkelende economie er bovenop te helpen. Na de aankondiging door Fiat dat er 23.000 mensen zouden worden ontslagen, riepen de bonden een staking uit die meer dan een maand zou duren. Maar op een dag gingen 40.000 Fiat-werknemers de straat op om te demonstreren tégen de vakbonden. Dat was een historische gebeurtenis. Veel andere ondernemingen volgden al snel met reorganisaties.