Politiek in Italië
De overheid is gebaseerd op de grondwet van 1948. Het tweekamerparlement bestaat uit de Kamer van Afgevaardigden (630 leden) en de Senaat, die uit 315 leden samengesteld is. Beide kamers worden om de vijf jaar verkozen, vroeger op basis van evenredige vertegenwoordiging, tegenwoordig op basis van een ingewikkelde mix van evenredige vertegenwoordiging en een bonus voor de winnaar in de diverse regio’s. Beide kamers hebben gelijke bevoegdheden. De Raad van Ministers, die door de premier wordt geleid moet het vertrouwen van het parlement hebben. Het staatshoofd is de president, die in een gezamenlijke zitting door het parlement wordt gekozen. De president heeft gelimiteerde bevoegdheden.
De Italiaanse politiek werd vanaf de Tweede Wereldoorlog lange tijd gedomineerd door drie partijen, de communistische PCI met in het begin van de jaren ’70 34% van de kiezers achter zich, en de christendemocratische Democrazia Cristiana, toen goed voor 39%, alsmede de sociaaldemocratische PSI (Partito Socialista Italiana). De angst voor de communistische partij was een van de factoren die de DC hielp van 1947 tot 1992 in het zadel te blijven, in diverse coalitie’s, veelal samen met de PSI.
Aldo Moro was in de jaren ’70 één van de weinigen, die begreep, dat de uitsluiting van de PCI voor de regering ook een voortdurende uitsluiting van een belangrijk deel van het electoraat betekende. Hij deed pogingen om een zogenaamd historisch compromis met de PCI te bereiken. Hij werd echter in 1976 door de Rode Brigades ontvoerd en vervolgens vermoord, waarna het idee verder geen vervolg kreeg.
In een laatste poging om het ‘oude’ politieke systeem te redden werd in 1984 de PSI-socialist Bettino Craxi premier, welke voor het eerst in de naoorlogse geschiedenis zo goed als de gehele termijn zijn regering bij elkaar kon houden.
Hierna echter kwam een serie corruptieschandalen aan het licht, welke weliswaar alle partijen trof, maar die vooral de DC en de PSI van Craxi in een diepe crisis stortte. Uiteindelijk leidde deze crisis zelfs tot de opheffing van zowel de DC alsmede de PSI in de periode 1992-1994. Deze operatie ‘Maní pulite’ (schone handen) kwam in 1992 op gang na de ontdekking door onderzoeksrechter Antonio Di Pietro van grootscheepse politieke corruptie (Tangentopoli, Omkoopstad) in Milaan en op basis van de onderzoeken naar aanleiding van de moord op rechter en maffiabestrijder Falcone.
Het gevolg was, dat het kiessysteem volledig werd hervormd (voornamelijk in een meerderheidsysteem met districtenstelsel) en de politieke constellatie werd tegelijk volledig door elkaar geschud.
Vanaf de jaren ’90 wordt de Italiaanse politiek beheerst door enerzijds een rechts blok, met Forza Italia (de partij van Silvio Berlusconi), de separatistische en xenofobe Lega Nord van Umberto Bossi en de post-fascistische Alleanza Nazionale. Daartegenover staat een centrum-links blok (Ulivo), momenteel onder leiding van voormalig Europees commissievoorzitter Romano Prodi. Huidig president is Giorgio Napolitano.
Centrum-links won op 9 en 10 april 2006 nipt de verkiezingen en voorkwam zo, dat de kort daarvòòr gevallen rechtse regering Berlusconi een nieuwe termijn kreeg. Deze had een populistische neoliberale/conservatieve politiek gevolgd en werd tegelijk geteisterd door beschuldigingen van corruptie, vooral aan het adres van premier Berlusconi. Hij zou fiscale fraude gepleegd en rechters omgekocht hebben als leider van zijn zakenimperium. Hij stelde zichzelf echter buiten vervolging door een wet die de premier onschendbaarheid verschaft zolang hij in functie is. Ondertussen zijn alle corruptiezaken tegen hem zo goed als verjaard.
Berlusconi kreeg ook scherpe kritiek omdat hij als eigenaar van drie commerciële televisiestations een mediamonopolie had, dat hij misbruikte. Bovendien zuiverde hij als premier ook de openbare omroep Rai van al te kritische journalisten en programmamakers.
Na zijn verkiezingsnederlaag van 2006 maakte Berlusconi gewag van fraude, maar daar bleek uiteindelijk niets van aan. Prodi had de verkiezingen nipt gewonnen met 49,8% tegen 49,7%. De winst is vooral gekomen dankzij de stemmen uit het buitenland, van Italianen buiten Italië die voor het eerst stemrecht hadden verkregen; een wetsverandering overigens waar met name rechts jarenlang voor had gepleit. Sinds de verkiezingen van 2006 werd het land vervolgens geregeerd door de centrum-linkse regering van Prodi, welke echter in een voortdurende staat van crisis het land bestuurde, aangezien de meerderheid in het parlement (met name in de Senaat) dermate klein was, dat regelmatig de vertrouwenskwestie aan de orde kwam om ook echt àlle stemmen van links mee te laten stemmen ten faveure van de voorgestelde regeringsbesluiten. Uiteindelijk viel de regering dan ook op 24.1.2008 nadat de kleine partij Udeur (3 zetels in de Senaat) onder leiding van minister Mastella zijn steun introk. Hiermee kon de regering niet meer op een meerderheid in de Senaat terugvallen en moest Prodi zijn ontslag aanbieden aan president Napolitano.
President Napolitano besloot, na een mislukte poging tot het formeren van een interim-regering, verkiezingen uit te schrijven voor april 2008. Na deze val van de regering Prodi wordt het rechtse blok nog steeds aangevoerd door Silvio Berlusconi.
Het linkse blok wordt geleid door Walter Veltroni, ex-burgemeester van Rome, en partijleider van de onlangs opgezette Partito Democratico (PD). Een echte partij links van het midden, welke Ulivo dient te vervangen. De consituerende delen van de PD (onder andere ook de grootste als DS en Margherita) hebben zich vastgelegd in een opgaan in de nieuwe PD.
Aan centrumrechtse zijde is er ook een nieuwe grote partij ontstaan, waarin onder andere Forza Italia en Alleanza Nazionale zijn opgegaan. Onder leiding van Silvio Berlusconi nam Il Popolo della Libertà het in de parlementsverkiezingen van 2008 op tegen Veltroni’s PD. Afeglopen verkiezingen won Berlusconi met een ruime voorsprong op Veltroni. Berlusconi is nu de nieuwe minister-president van Italië, voor hem de derde keer.