Italiaanse economie

De economie van Italië zit, net als de politiek en cultuur van het land, vol met tegenstrijdigheden. Italië is de derde economie van Eurozone – na Duitsland en Frankrijk – en de zevende van de wereld. Het land produceert auto’s, mode, design en delicatessen, die Made in Italy wereldwijd tot een sterk merk maken en producten en producenten tot begrippen: Fiat, Valentino, Luxottica, Ferrero (Rocher, Nutella), Parmigiano en Prosecco, om er maar een paar te noemen. Daarnaast beschikt Italië over een cultureel erfgoed en een variatie in landschappen die jaarlijks zo’n 50 miljoen toeristen aantrekken.

Enorme staatsschuld, lage productiviteit

Maar tegelijk kampt Italië met een enorme staatsschuld, een lage productiviteit, een grote tegenstelling tussen arm en rijk, een nog grotere tussen Noord en Zuid, en een werkloosheid van ruim 12%, ver boven het Europees gemiddelde. Daarnaast zuchten Italiaanse ondernemers, en gewone burgers, onder aloude plagen als extreem hoge belastingen, en van de weeromstuit maar ook een massale ontduiking; een verstikkende bureaucratie; een rechtsgang die in traagheid zijn weerga niet kent (een tot op het hoogste niveau uitgevochten civielrechtelijk proces duurt gemiddeld negen jaar); inkomensderving door corruptie en maffia; en een voortdurende politieke instabiliteit zonder consequente voortzetting van beleid. Daardoor kruipt Italië veel langzamer dan de meeste andere EU-landen omhoog uit de crisis en ziet jaarlijks een kwart miljoen Italianen, onder wie veel goed opgeleide jongeren – voor hen ligt de werkloosheid rond de 30% – , zich genoodzaakt om hun land te verlaten.

Noord versus Zuid

De economische toestand van Italië is voor een belangrijk deel historisch bepaald. Dat geldt zeker voor wat misschien wel het grootste probleem van het land is: de Questione Meridionale, het vraagstuk van het arme Zuiden, en  daarmee ook van de tegenstelling tussen Noord en Zuid. Waar de regio Lombardije een van de rijkste van Europa is, te vergelijken met Beieren, wordt in Calabria per hoofd amper de helft verdiend, hetgeen dit gewest tot een van de armste binnen de eurozone maakt. Dat verschil bestaat al sinds de Italiaanse eenwording, toen een overwegend agrarisch, arm en analfabeet Zuiden bij noordelijke gewesten werd gevoegd waar de industriële ontwikkeling en het schoolwezen al een stuk verder waren. Die kloof is in anderhalve eeuw nooit gedicht, hoewel sinds de Tweede Wereldoorlog in totaal voor 400 miljard euro aan staatssteun is uitgegeven om het Zuiden uit het economisch slop te helpen. De welvaart is daardoor weliswaar toegenomen, maar een economische boom zoals in het Noorden is uitgebleven. De oorzaak daarvoor ligt vooral in de cliëntelaire wijze van politiek bedrijven in Zuid-Italië. De overheidssubsidies werden al te vaak gebruikt om stemmen te kopen en kwamen voor een aanzienlijk deel terecht bij vrienden en aanhangers van plaatselijke politici of de georganiseerde misdaad, zonder dat er sprake was van een centraal geplande ontwikkeling.

De desastreuze gevolgen daarvan zijn nog altijd zichtbaar in de vorm van honderden zogeheten ‘kathedralen in de woestijn’: onaffe, nutteloze of nimmer in gebruik genomen wegen, viaducten, stadions, congrescentra en hotels. De met overheidsmiljarden gestichte petrochemische industrie op Sardinië is inmiddels failliet, terwijl die de ILVA-fabrieken in Taranto, Apulië dermate vervuilend zijn dat serieus wordt overwogen om ook deze te sluiten, met rampzalige gevolgen voor de al zo schaarse werkgelegenheid. Toch is niet alles hopeloos in de Zuid-Italiaanse economie. Het toerisme heeft de afgelopen jaren een grote vlucht genomen, met name op Sicilië en Sardinië en in Apulië en Napels. Zuid-Italiaanse wijnen en delicatessen doen het uitstekend op de Europese en Amerikaanse markt. Grote industriële ondernemingen als Fiat en Leonardo (defensie) hebben belangrijke vestigingen in het zuiden. Sardinië liep met Tiscali voorop in de digitalisering. En de haven van het Gioia Taura is na jaren strijd tegen infiltratie van de ‘ndrangheta, de Calabrese maffia, hard op weg om een hub, een overslagplaats, van wereldformaat te worden. Ook de huidige regering telt weer een minister voor de Mezzogiorno, het Zuiden, en belooft de problemen nu eindelijk structureel aan te pakken. Maar dergelijke aankondigingen zijn beslist niets nieuws. Vooralsnog blijft de groei van het Zuiden nog structureel achter bij die (al geringe) van het Noorden en zien honderdduizenden jongeren zich genoodzaakt om weg te trekken naar Noord-Italië of Noord-Europa.

Overheidsinvloed

Een tweede historisch probleem is de van oudsher grote staatsinvloed op de economie, die nog overgeleverd is uit de fascistische periode en waar in de eerste halve eeuw na de Tweede Wereldoorlog weinig verandering in is gekomen. Italië is lange tijd een land van staatsmonopolies geweest. De grote banken waren publiek, evenals een groot aantal vaak met overheidsgeld van de ondergang geredde industriële bedrijven. Bovendien was kapitaaluitvoer vrijwel verboden en werden Italiaanse bedrijven systematisch beschermd met tariefmuren en importrestricties: zo mochten tot een jaar of twintig geleden er vrijwel geen Japanse auto’s worden ingevoerd en konden buitenlandse luchtvaartmaatschappijen geen vluchten aanbieden voor prijzen die beneden die van Alitalia lagen. Jarenlang vertoonde Italië daarmee het karakter van een geleide economie. In de eerste naoorlogse jaren heeft dat ongetwijfeld geholpen om het land op de been te helpen. Op de lange duur is de greep van de overheid op het economisch leven, en daarmee die van de politieke partijen, die de staatsbedrijven vooral zagen als baantjesreservoirs voor hun aanhang, uitermate schadelijk gebleken. De huidige precaire toestand van de (ondertussen geprivatiseerde) Italiaanse banken – te versnipperd, te duur, te vele slechte leningen – en de lijdensweg van het door hoge personeelslasten, misplaatst nationalisme en slechte beleidskeuzes geteisterde Alitalia zijn daarvan indirect het gevolg.

Het Miracolo economico

Na de Tweede Wereldoorlog was Italië een straatarm en onderontwikkeld land, zoals goed te zien is in de neorealistische films uit die jaren. De infrastructuren waren voor een groot deel vernietigd dan wel obsoleet, op het platteland was het analfabetisme nog wijd verbreid en miljoenen arbeiders zagen zich genoodzaakt om te emigreren naar Noord-Europa en Amerika. In de jaren ’60 kwam daar verandering in. Met steun van de Amerikaanse Marshallhulp en in een atmosfeer van politieke stabiliteit – de Democrazia Cristiana was steevast de heersende partij, die regeerde met wisselende kleinere partners – ontvouwde zich de Italiaanse versie van het Duitse Wirtschaftswunder, het Miracolo economico. De industrieën in het Noorden, zoals Fiat, Olivetti en Pirelli, groeiden als kool. Met overheidssteun werden petrochemische complexen aangelegd op Sardinië, in Apulië en bij Venetië. Onder de vleugels van overheidsbedrijf Finmeccanica (in 2000 grotendeels geprivatiseerd en nu bekend onder de naam Leonardo) ontwikkelde zich een reeks bedrijven op het gebied van machinerie, defensie, luchtvaart en treinstellen. Staatsenergiebedrijf ENI ging boren in Noord-Afrika en het Midden-Oosten en verwierf zich een plaats naast de Amerikaanse Seven Sisters. Het toerisme nam een hoge vlucht, niet alleen in populaire bestemmingen aan de kusten van de Middellandse en Adriatische Zee, maar ook in luxeoorden als Capri en de in die jaren ontwikkelde Costa Smeralda op Sardinië. De welvaart steeg, zodat steeds meer Italianen zich in hun gloednieuwe Fiatjes konden voortbewegen op in hoog tempo aangelegde, voor die tijd hypermoderne autostrade. Emigreren werd steeds minder noodzakelijk: in 1975 kende Italië voor het eerst sinds de oorlog een immigratieoverschot.

Gestaag verder

In de zeventiger jaren ging het minder voorspoedig met Italië. De exponentiële groei liep ten einde. De oliecrises van ’73 en ’79 troffen het land hard, temeer daar het zelf nauwelijks energiebronnen heeft, op een aantal waterkrachtcentrales en een beetje olie in Molise na. (In de jaren ’70 beschikte Italië daarnaast nog over vier atoomcentrales, maar met een volksstemming in 1987, onmiddellijk na de ramp van Cernobyl, werd besloten om de productie van atoomenergie te staken.) Ook namen de politieke spanningen toe, na dertig jaar christendemocratische hegemonie. Het land werd geteisterd door links en rechts terrorisme, stakingen en manifestaties, pogingen tot staatsgreep en een gierende inflatie. In een dergelijk klimaat kon de economie bezwaarlijk gedijen en was Italië voor buitenlandse investeerders al helemaal niet interessant. In de jaren ’80 keerde het tij. De socialisten kwamen naast de christendemocraten in een reeks regeringen, die iedereen tevreden stelden: werknemers met opeenvolgende loonrondes en hogere pensioenen; werkgevers met tariefmuren, zachte leningen en devaluaties ter wille van de export; werkzoekenden met de creatie van niet altijd even noodzakelijke overheidsbanen; en winkeliers en andere zelfstandigen met een massaal getolereerde belastingontwijking. Het was goed voor de interne consumptie en de maatschappelijke vrede, maar funest voor de staatsfinanciën. In deze jaren werd de basis gelegd voor de huidige enorm hoge staatsschuld.

De economie ontwikkelde zich ook deze periode geleidelijk aan. Fiat werd, mede door de overname van merken als Alfa Romeo, Ferrari en Maserati, een wereldspeler. Milaan plaatste zich met Armani, Valentino en Ferré als Europese modestad naast Parijs. Dankzij Benetton, Stefanel en Marzotto bereikte ook de textiel- en stoffenproductie ongekende hoogten. En in regio’s Veneto, de Marken en Toscane ontstonden ‘districten’ van grote aantallen kleine en middelgrote ondernemingen die, vaak voortbouwend op familietradities, met typisch Italiaanse fantasie en inventiviteit een veelheid van producten van hoge kwaliteit leverden: schoenen, lederwaren, optica,  stoelen, schroeven en moeren, boormachines, auto-onderdelen, enz. De jaren ’90 gelden daarom als de periode van het tweede economisch mirakel, ditmaal dat van de nijverheid in met name het Noordoosten.

Stagnatie

Sinds de eeuwwisseling stagneert daarentegen de Italiaanse economie. De toetreding tot de eurozone heeft aan de ene kant geleid tot een verlaging van de rentevoet, maar tevens een einde gemaakt aan de mogelijkheid van devaluatie als noodgreep om de export te bevorderen. De globalisering heeft het Italiaanse middel- en kleinbedrijf blootgesteld aan concurrentie van lagelonenlanden, waar ook op grote schaal Italiaanse luxeproducten worden vervalst. Veel ondernemingen zagen zich daardoor genoodzaakt om hun productiefaciliteiten te verplaatsen naar Oost-Europa en het Verre Oosten. In tegenstelling tot andere (voormalige) Europese zorgenkinderen als Ierland, Spanje en zelfs Griekenland heeft Italië echter nauwelijks een begin gemaakt met de hervormingen die nodig zijn om de economie weer op de rails te krijgen: slechten van de bureaucratische barrières; stroomlijnen van civielrechtelijke procedures; afbouwen van de staatsschuld; aanpak van het zwarte en grijze circuit dat volgens ISTAT (het Italiaanse CBS) goed is voor zo’n 17% van de economie; beteugelen van belastingontduiking en corruptie, die ondanks de geruchtmakende Schone Handen processen van de jaren ’90 onverminderd voortwoekert. De verantwoordelijkheid daarvoor ligt vooral bij de politiek – en indirect dus ook bij de burgers die deze politici hebben gekozen – die al die jaren geen drastische en impopulaire maatregelen heeft durven te nemen. Dat geldt met name voor de regeringen Berlusconi – 1994, 2001-06, 2008-11) die heel actief waren in de productie van wetten die de – van corruptie, belastingfraude en ontucht met minderjarigen verdachte – premier zelf op het lijf geschreven waren, maar op economisch gebied grosso modo alles bij het oude lieten. Zo beweerde Berlusconi in 2011, in de zwartste dagen van de crisis, staalhard dat er helemaal geen crisis was in Italië, omdat ‘de restaurants vol zitten’.

Zodoende heeft de crisis van 2008 Italië extra zwaar getroffen. Kleine bedrijven gingen massaal failliet. De werkloosheid steeg. De inkomens daalden tussen 2007-15 met gemiddeld 10,8%. In het Zuiden meer dan in het Noorden, waardoor de aloude kloof nog eens werd verbreed. De staatsschuld steeg nog verder, tot ruim 2300 miljard euro, ofwel ruim 130% van het BBP. En veel banken geraakten in crisis doordat particulieren en ondernemers hun leningen niet konden terugbetalen.

Sinds eind 2011 heeft een reeks regeringen – Monti, Letta, Renzi en Gentiloni – het tij enigszins weten te keren. De bankencrisis werd bezworen. Door een weinig populaire maar broodnodige pensioenhervorming door Monti’s minister Elsa Fornero werden de kosten voor sociale zekerheid gedrukt. Onder Renzi werd de arbeidsmarkt flexibeler gemaakt en fiscale premies ingevoerd op het aannemen van jong personeel. Sinds 2014 trekt de economie weer aan, maar langzamer – +1,3-1.5% p.j. -, dan elders in Europa. In 2018 lag het gemiddeld inkomen per hoofd nog zo’n 5% beneden dat van 2007, een niveau dat waarschijnlijk pas in 2020 weer wordt gehaald. Als er tenminste geen onverwachte ontwikkelingen plaatsvinden. In de afgelopen jaren heeft Italië kunnen profiteren van een aantal gunstige externe factoren: de wederopleving van de wereldeconomie was goed voor de export; door de lage dollar en de lage olieprijzen was de import van energie goedkoper dan normaal; dankzij de extreem lage rentevoet drukt de rente  op staatsleningen minder hard op de begroting; door het beleid van Quantitave Easing, ofwel het op grote schaal opkopen van Italiaanse staatsobligaties door de Europese Centrale Bank bleef diezelfde rente nog eens extra laag. Al deze factoren zullen evenwel niet eeuwig aan houden – de QE stopt al in 2019 – en kunnen in de nabije toekomst dus zorgen voor nieuwe druk op de Italiaanse staatshuishouding.

Wat nu?

Naast de al genoemde factoren kampt Italië ook met andere belemmeringen voor het economisch leven. De groei wordt beperkt door de macht van lobby’s en monopolies, die de concurrentie van de vrije markt in de wielen rijden. Door de geringe meritocratie in een maatschappij waarin cliëntelisme, nepotisme en recommandaties de regel zijn, komen niet altijd de beste mensen op de juiste plaatsen. Italië geeft beduidend minder dan andere Europese landen uit aan onderwijs en research, zowel particulier als in het bedrijfsleven, waardoor de werknemers minder ontwikkeld en dus minder breed inzetbaar zijn. Ook is het Italiaanse schoolstelsel zwaar verouderd en zijn universiteiten en hogescholen slecht afgestemd op de behoeften van het bedrijfsleven. (De regering Renzi heeft het begin van een onderwijshervorming doorgevoerd, die echter geen vervolg lijkt te krijgen.) En het instorten van het viaduct Morandi bij Genua in augustus 2018 heeft nog eens de aandacht gevestigd op de urgentie van maatregelen in ’s lands infrastructuur. De voornaamste autostrade, bruggen, viaducten en tunnels zijn inmiddels 40-50 jaar oud en kampen in vele met lange jaren van achterstallig onderhouden. (In onderhoud en preventie is Italië überhaupt niet erg sterk.) Ook dat belooft een extra miljardenpost te worden. Tenslotte blijft ook de georganiseerde misdaad, die de afgelopen jaren weliswaar hard getroffen is door de Italiaanse justitie, nog altijd goed voor naar schatting 7% van het Bruto Binnenlands Product, met dito schade in de vorm van belastingontduiking en concurrentievervalsing.

De in juni 2018 aangetreden regering van Lega en Vijfsterrenbeweging staat daarmee voor een zware opgave. Maar in plaats van verder te gaan op de door haar voorgangers ingeslagen weg van de hervormingen, heeft zij in de eerste maanden van haar bestaan  vooral het te niet doen van het al gedane werk aangekondigd. De pensioenwet, de hervormingen van arbeidsmarkt en onderwijs, grote projecten zoals de TAV, de hogesnelheidslijn Turijn-Lyon en de Olympische Spelen 2024 in Rome, alles moet op de schop om plaats te maken voor projecten als de vlaktaks en een ‘burgerschapsloon’, waarvoor eigenlijk helemaal geen geld is. Dat maakt de economische toekomst van het land behoorlijk onzeker.

Tegenover het hierboven geschetste weinig rooskleurige beeld staat ook een andere realiteit, die van een land waar hard en serieus en met passie en fantasie wordt gewerkt en dat mooie, goede en smakelijke producten aflevert. Of het nu mode is, of jachtbouw, auto’s, motoren, helikopters, brillen, film, wijn of delicatessen, in alles draait Italië volop mee in ’s wereld eredivisie, in veel gevallen op plaats één. Voeg daarbij ’s lands magnifiek gevarieerde landschap en unieke cultureel erfgoed, ach, dan lijkt toch ook de basis aanwezig voor een minder sombere toekomst.