De geschiedenis van Italië is rijk, bont en gevarieerd als het land zelf. Het is de historie van Roma caput mundi, achtereenvolgens centrum van een wereldrijk, van de christenheid en van de huidige Repubblica Italiana. Maar het is ook de geschiedenis van een groot aantal onderling zeer verschillende regio’s en steden, van Turijn tot Bari en van Venetië tot Palermo. Het resultaat is een al 3000 jaar lopend theaterstuk met altijd weer boeiende acteurs.

Hoe komt Italië aan zijn naam?

Waar de naam Italië vandaan komt, is niet geheel duidelijk. Mogelijk is het een oud-Griekse term waarmee ‘land van het vee’ wordt bedoeld, of die verwijst naar een stam in het zuiden van het land, de Italoi. Zeker is wel, dat de term aanvankelijk werd gebruikt voor de zuidelijke kuststreken, in de 1e eeuw voor Christus voorkwam op munten van zogeheten ‘ Italische’ volkeren in het centrum en in de Middeleeuwen gaandeweg gebezigd werd voor het hele schiereiland. Daarbij moet wel bedacht worden, dat ‘Italië’ tot ver in de 19eeeuw niet meer was dan een ‘geografische uitdrukking’, in de woorden van de Oostenrijkse staatsman Klemens von Metternich. Pas na de eenwording in 1870 kreeg het land Italië, in de zin van natiestaat, zijn huidige vorm.

Magna Graecia, Etrurië, Rome

Vanaf de achtste eeuw voor Christus vestigden zich Griekse kolonisten aan de Italiaanse zuidkusten. Zij stichtten steden als Gela en Syracusae op Sicilie, Kroton (het huidige Crotone) in Calabrië en Neapolis, de ‘nieuwe stad’: Napels. Nog altijd wordt de term Magna Graecia (Groot Griekenland) gebruikt om dit deel van Italië aan te duiden. Op Sardinië en westelijk Sicilië stichtten de vanuit Noord-Afrika afkomstige Carthagers koloniën als Panormus (Palermo).

De binnenlanden werden bewoond door inheemse Italische volkeren als de Sabijnen, Samnieten, Latijnen, Osken en Umbriers, terwijl het noorden bevolkt werd door Germaanse en Keltische stammen als de Veneti, Liguri en Reti. Het centrum was het domein van de Etrusken, een volk dat een niet-indogermaanse taal sprak die nog altijd niet ontcijferd is. De Etrusken, die het schrift overnamen van de Phoeniciers en kunst en keramiek van de Grieken, ontwikkelden een hoge beschaving. Zij bereikten hun hoogtepunt rond 500 v.Chr., toen Etrurië zich uitstrekte van het huidige Verona tot aan Rome.

Op de Palatijnse heuvel in Rome is bij opgravingen een dorp uit de 10 eeuw v. Chr. aangetroffen. Maar volgens de legende is de huidige hoofdstad gesticht door haar eerste koning, Romulus, in 753 v.Chr., en wel op 21 april, nog altijd gevierd als Natale (Geboortedag) di Roma. Romulus was de eerste van zeven – grotendeels ook legendarische – koningen van wie de laatste drie Etrusken waren. In 509 v. Chr. kwam het volk in opstand tegen de tirannieke laatste vorst, Tarquinius Superbus, en begon de lange periode van de Republiek, die zou duren tot 27 v. Chr., toen keizer Augustus aan de macht kwam.

Het Romeinse Rijk

Bestuurd door een Senaat (letterlijk: Raad van Ouden) en voorzien van een krachtig en professioneel leger breidde de kleine stad aan de rivier de Tiber haar invloed gestaag uit. Daarbij speelde zij een leep diplomatiek spel, waarbij de omringende steden en volkeren konden kiezen tussen oorlog of een bondgenootschap met Rome. Zo wisten de Romeinen eerst de omliggende steden te veroveren, waarna in de 4e eeuw v. Chr. de Etrusken werden verslagen en in de eeuw daarop de Griekse en Carthaagse koloniën in het zuiden geannexeerd. Het proces verliep niet altijd even soepel en soms was het kantje boord. Zoals in 490 v. Chr. toen Rome door Galliërs uit het noorden werd binnengevallen en geplunderd. En meer nog in de Tweede Punische Oorlog (218-201 v.Chr.), toen de Carthaagse legeraanvoerder Hannibal Barkas vanuit de Alpen in Italië neerdaalde en de Romeinen de ene na de andere nederlaag toebracht, maar uiteindelijk toch onverrichterzake naar Carthago terug moest keren.

In 146 v.Chr. werd Carthago definitief verslagen en verwoest. Ook Griekenland werd veroverd, evenals Gallia Cisalpina (aan deze zijde van de Alpen), het noordelijk deel van het Italiaanse schiereiland. De contouren van het huidige Italië waren daarmee ongeveer vastgelegd. In de jaren 113-80 v.Chr. werd het Rijk opgeschrikt door drie serieuze bedreigingen: vijandelijke invallen aan de noord- en oostgrens; een opstand van bondgenoten binnen Italië en een burgeroorlog in Rome zelf. Dankzij de door de Senaat aangestelde dictator Sulla, die een waar schrikbewind uitoefende, werd de orde hersteld en gingen de veroveringen verder. Dertig jaar later veroorzaakte Gajus Julius Caesar, de generaal die tevoren in een bloedige oorlog de Galliërs had onderworpen, een nieuwe bloedige burgeroorlog. Na vijf jaar strijd lukte het hem in 45 om zich door de Senaat, formeel nog altijd het hoogste bestuurlijke orgaan, tot dictator voor het leven te laten benoemen. Maar een jaar later werd Caesar door een groep tegenstanders gedood en braken nieuwe oorlogen aan, waaruit uiteindelijk zijn aangenomen zoon Antonius als winnaar naar voren kwam.

In 27 v.Chr. werd Antonius door de Senaat uitgeroepen tot Augustus, keizer. Het was het begin van de Pax Romana, ook wel bekend als Pax Augusti, de Vrede van Augustus, een lange periode waarin het er binnen het Rijk betrekkelijk rustig aan toeging. Afgezien van de excessen van sommige al te exuberante heersers, zoals Nero, wiens dood werd gevolgd door een kortstondige burgeroorlog waarin keizers zo snel weer om zeep werden gebracht, dat het jaar 69 bekend is geworden als het Vierkeizerjaar: achtereenvolgens Galba, Otho, Vitellius en Vespasianus. Augustus, die leefde van 63 v.  tot 14 n.Chr., zag af van verdere expansie en consolideerde in plaats daarvan de grenzen: Rijn en Donau in het Noorden, de Sahara in het Zuiden en bevriende bufferstaten in het Oosten.

Binnen het immense Rijk werd het Romeins Recht ingevoerd en het Latijn, naast het Grieks in het Oosten, de officiële taal. Grote aantallen inwoners in de provincie kregen het Romeins burgerrecht, betrekkelijk veilige handelsroutes over land en zee verbonden alle uithoeken van het Rijk met elkaar en overal kon men met dezelfde Romeinse munten terecht. Rome groeide uit tot een metropool van een miljoen inwoners, zoals nog te zien is aan de omvang van de muur waarmee keizer Aurelianus de stad aan het einde van de derde eeuw liet omringen, en werd verfraaid met schitterende openbare werken zoals het Colosseum, het Pantheon en het Forum.

Het Romeinse Rijk op zijn hoogtepunt
Het Romeinse Rijk op zijn hoogtepunt (klik voor een vergroting) (photo credit Wikipedia)

De neergang van het Romeinse Rijk

De Pax Romana duurde tot ongeveer 180, het sterfjaar van keizer-filosoof Marcus Aurelius. In de jaren daarop werd het Rijk opnieuw geteisterd door burgeroorlogen, terwijl de Noord- en Oostgrenzen steeds meer onder druk kwamen te staan en steeds moeilijker te verdedigen vielen. De neergang werd tijdelijk gestopt door de keizers Diocletianus (284-305) en Constantijn de Grote (306-37). De eerste verdeelde het Rijk in een westelijk en een oostelijk deel, waarbij twee keizers en twee adjuncten elk een kwart voor hun rekening namen (de tetrarchie) en Milaan in plaats van Rome hoofdstad werd van het westen (van 286-402). Constantijn bracht het tot alleenheerser na de zoveelste burgeroorlog en maakte vervolgens het christendom tot officiële godsdienst in een poging om het inmiddels danig verdeelde Rijk een gemeenschappelijke religieuze basis te geven. Ook verhuisde hij in 330 het zwaartepunt van het Rijk naar Byzantium aan de Bosporus, dat vervolgens de naam Constantinopel kreeg.

In het oosten bleef het sedertdien redelijk stabiel, maar in het westen werd de druk verder opgevoerd. Een reeks keizers zag zich gedwongen om steeds meer Germaanse troepen in dienst te nemen, die gaandeweg de dienst gingen uitmaken. In 378 verloren de Romeinse legioenen de beslissende Slag bij Adrianopel, het huidige Edirne, waardoor de weg over de Donau vrijgemaakt was voor steeds grotere groepen Germanen en andere barbaren, opgejaagd door de grote volksverhuizingen van de 4e en 5e eeuw. Bij de dood van keizer Theodosius in 395 werd de tweedeling definitief. In het oosten heerste sindsdien zijn zoon Arcadius, in het westen diens broer Honorius, een zwak heerser die uit vrees voor de invallers zijn hoofdstad verplaatste naar Ravenna.

In 410 werd Rome, voor het eerst in 900 jaar, weer geplunderd, ditmaal door de Goten. Er volgde nog een chaotische periode, waarin Goten en Vandalen brandschattend door het West-Romeinse Rijk trokken om vervolgens eigen koninkrijken te stichten in Spanje en Noord-Afrika. In 452 hielden de Hunnen van Attila huis in Noord-Italië om vervolgens vlak voor Rome te stoppen. Germaanse generaals schoven een reeks marionettenkeizers naar voren, totdat in 476 één van hen, Odoakar, het voor gezien hield, keizer Romulus Augustulus, een kind nog, afzette en de keizerlijke insignia naar Constantinopel stuurde, naar de enige nog overgebleven, Oost-Romeinse, keizer. Het was het einde van het West-Romeinse Rijk en tevens dat van de Klassieke Oudheid.

Middeleeuwen

Met de val van het West-Romeinse Rijk begon voor Italië een meer dan duizendjarige periode van verdeeldheid en verbrokkeling. Niet alleen lokale potentaten, maar ook Duitse, Franse, Spaanse en Oostenrijkse heersers vochten op het Italiaanse schiereiland hun onderlinge twisten uit in een eindeloze opeenvolging van oorlogen en schermutselingen, waarvan de burgerbevolking al te vaak het slachtoffer was. Tegelijk werd door de snelle opkomst van de Islam, die in de zevende eeuw in weinige decennia Noord-Afrika, Spanje en de Levant veroverde, de culturele en economische eenheid van het Middellandse Zeegebied verbroken. Rome, voorheen het centrum van de bekende wereld, kwam te liggen aan de zuidkant van een Europa waarin het machtscentrum opschoof naar het Noorden. De Romeinse instellingen bleven in grote delen van het voormalige Rijk in naam vaak nog lange tijd gehandhaafd, maar het ontbreken van een sterk centraal gezag leidde er toe dat wegen, aquaducten, theaters en publieke baden in malheur geraakten, terwijl handelsroutes over land en zee bedreigd werden door struikrovers en piraten en de geldeconomie danig werd teruggebracht. Maar net als elders in Europa kwam het in de late Middeleeuwen vooral in de steden tot een hernieuwde bloei.

Van het ontstane machtsvacuüm maakten als eersten de uit Pannonië, het huidige Hongarije, afkomstige Goten gebruik, die onder leiding van hun koning Theodoric in 488 Italië binnenvielen en in korte tijd onder de voet liepen. Het Gotenrijk hield stand tot 535, toen de machtige Oost-Romeinse keizer Justinianus in een twintig jaar durende oorlog het verloren Italië terugveroverde. De Byzantijnen, die zich ook moesten verdedigen tegen een permanente dreiging vanuit Perzië, moesten echter al gauw een deel van hun heroveringen weer afstaan. In 568 trok een andere Germaanse stam, de Longobarden (inderdaad: mannen met ‘lange baarden’), Italië binnen, waar zij een nieuw koninkrijk stichtten met als hoofdstad Pavia in de regio die ook nu nog Lombardije heet. Maar zij slaagden er niet in om heel Italië te veroveren. Ravenna, Venetië, Rome, Napels en grote delen van het Zuiden bleven in Byzantijnse handen. De verdeeldheid van Italië was daarmee een feit en zou tot in de 19eeeuw duren.

Het Longobardische Rijk hield twee eeuwen stand, maar ging tenslotte ten onder door een een-tweetje van de paus en weer een ander Germaans volk, de Franken. In de loop der eeuwen hadden de pausen veel wereldlijke macht verworven in Centraal-Italië, waarover zij heersten met beroep op de Donatio Constantini, een schenkingsacte van keizer Constantijn, die later een vervalsing uit de achtste eeuw is gebleken. Toen de Longobardenkoningen ook dit gebied dreigden te annexeren, riep paus Stefanus II in 755 de hulp in van de Frankische koning Pippijn. Diens zoon Karel de Grote versloeg in 774 de laatste Lombardische koning, Desiderius, en stichtte vervolgens een Frankische vazalstaat in Noord-Italië. In het zuiden bleven de Byzantijnen de baas, terwijl Karel, die in 800 in de Sint Pieter in Rome door paus Leo III tot keizer werd gekroond, uit erkentelijkheid hem een strook land van Rome tot Ravenna schonk, die zou blijven bestaan als Kerkelijke Staat tot 1870. Tot dan (maar ook daarna) zou de paus een van de hoofdrolspelers op het Italiaanse politieke toneel blijven.

In de negende en tiende eeuw was Italië zo grofweg in drieën verdeeld. Een Koninkrijk in het Noorden, waar vazallen van de steeds zwakker wordende Frankische koningen uitgroeiden tot zelfstandige heersers, van wie een enkeling niet aarzelde om zichzelf tot koning van Italië uit te roepen. In het centrum lag de Pauselijke Staat. En de Byzantijnen regeerden over het Zuiden. Met uitzondering van een overgebleven Longobardisch hertogdom rond de stad Benevento, en Sicilië dat in de loop van negende eeuw werd veroverd door de Arabieren en ruim twee eeuwen lang een bloeiend emiraat was met een gemengde moslim-christelijke bevolking en cultuur. Tenslotte ontwikkelden enkele havensteden zich tot praktisch onafhankelijke repubbliche marinare (zee- of handelsrepublieken): Amalfi, Gaeta, Genua, Pisa en vooral Venetië. Deze laatste, in de vijfde eeuw door vluchtelingen van het vasteland in de lagune gestichte stad ontwikkelde zich in de volgende eeuwen tot een geduchte economische en militaire macht, die onder meer de huidige regio’s Veneto en Friuli, de kusten van Dalmatië en een reeks Griekse eilanden omvatte. De aristocratische, door een doge en een Raad van Tien bestuurde Serenissima Repubblica zou blijven bestaan tot 1795.

Halverwege de tiende eeuw deed een nieuwe speler zijn intrede op het Italiaanse toneel, toen de Duitse koning Otto I zich mengde in de ruzies tussen Noord-Italiaanse edelen, doorreisde naar Rome en zich daar in 962 door de paus liet kronen tot keizer van wat tot 1806 het Heilige Roomse Rijk zou heten. Formeel omvatte dit heel Duitsland en Italië en drie eeuwen lang zouden Duitse keizers zich daarom ook intensief bemoeien met Italië. Daarmee kwamen zij meermalen in conflict met de pausen. In de elfde en twaalfde eeuw leidde dat tot de Investituurstrijd, waarbij keizer en paus elkaar het recht betwistten om bisschoppen te benoemen. Het hoogtepunt daarin was de nogal pathetische tocht naar het kasteel van Canossa, bij Reggio Emilia, van keizer Hendrik IV in 1077. Paus Gregorius VII had de balsturige keizer in de ban gedaan en volgens de overlevering stond de vorst drie dagen blootsvoets in de sneeuw om de paus, die in het kasteel te gast was, over te halen om die ban weer in te trekken. Dat deed de paus, maar nog geen jaar later begon het gekibbel van voren af aan. Net als in Duitsland leidde dit ook in Noord-Italië tot een scherpe politieke tweedeling tussen paus- en keizergezinden, de Guelfi en de Ghibellini (een verbastering van het Duitse Welfen en Waiblingen), die de stedelijke elites ook lang na de, formeel in 1122 beëindigde, Investituurstrijd verdeeld zou houden.

In Zuid-Italië waren inmiddels andere nieuwkomers gearriveerd: de Noormannen. Kort na het jaar 1000 mengden Noorse en Normandische huurlingen zich in de twisten tussen Zuid-Italiaanse potentaten. In de loop van de elfde eeuw versloegen zij eerst de zwakke Byzantijnse en Longobardische heersers in Apulië en Calabrië en vervolgens de Moren op Sicilië. En passant plunderden zij Rome ook nog even in 1084. Hun veroveringen werden in 1130 verenigd tot het Koninkrijk Sicilié, dat onder een lange reeks Normandische, Duitse, Franse, Aragonese, Spaanse, Habsburgse en Bourbonse heersers tot 1860 zou bestaan en in de nog altijd aanhoudende tegenstelling tussen Noord- en Zuid-Italië, het klassieke Zuiden vormt.

De laatste keizer die nog effectief heerste in Italië was Frederik II, die vanaf 1220 eerst de Noord-Italiaanse steden in het gareel bracht die zich een halve eeuw daarvoor met succes hadden verzet tegen zijn grootvader Frederik Barbarossa. (De opstandige steden hadden zich verenigd in de Lega Lombarda, dezelfde naam die Umberto Bossi koos voor de Noord-Italiaanse autonomiepartij die hij in 1982 oprichtte en die later opging in de Lega Nord.) Daarna maakte hij zich meester van het zuiden, waar de Normandische dynastie was uitgestorven, om vervolgens schitterend hof te houden in Palermo, te midden van Noord- en Zuid-Europese, Moorse en joodse kunstenaars, dichters, filosofen en wetenschappers. Aan die glorietijd van Palermo kwam een einde na Frederiks dood in 1250, toen paus Clemens IV, die van de gelegenheid gebruik wilde maken om eens en vooral af te rekenen met zijn keizerlijke tegenstander, een nieuwe pretendent binnenhaalde in de persoon van Karel van Anjou. De Fransen maakten korte metten met Frederiks opvolgers, ook al duurde op Sicilië de Franse heerschappij niet lang: in 1282 werd het Franse garnizoen hier uitgemoord in een opstand die bekend is geworden als de Siciliaanse Vespers. In de plaats van de Fransen kwamen nu de Spanjaarden naar Sicilië: prins Peter van Aragon werd enthousiast ingehaald als bevrijder en tot koning gekroond, maar in Napels bleven de Fransen aan de macht. En daarmee was het zaad gezaaid voor Spaans-Franse oorlogen die eeuwenlang op het Italiaanse schiereiland zouden woeden.

De Renaissance in Italië

De veertiende en vijftiende eeuw verliepen betrekkelijk voorspoedig voor Italië, afgezien van een ononderbroken reeks van regionale schermutselingen en een gruwelijke pestepidemie die in de jaren 1348-65, net als elders in Europa, een derde tot de helft van de bevolking wegvaagde. De keizers hadden het te druk met hun Duitse vazallen en Hongaarse invallers en de – onder Franse invloed geraakte – pausen zetelden van 1309-77 niet in Rome maar in Avignon. Bovendien werd de pauselijke tiara veelal betwist door twee en soms wel drie pausen en tegenpausen tegelijk. In Noordelijk en Centraal-Italië maakten stedelijke oligarchieën daarvan gebruik om hun eigen macht te vestigen en in de praktijk onafhankelijke stadstaten te creëren.

In Milaan heerste de familie Visconti met harde hand: zij veroverde grofweg de tegenwoordige regio Lombardije en verwierf in 1395 de hertogstitel, die in 1450 overging op de familie Sforza. De Republiek Venetië annexeerde geleidelijk aan het huidige Veneto en maakte daarmee een einde aan de onafhankelijkheid van Verona waar tot dan toe de familie Scaliger had geheerst. Ook Genua bleef een handelsoligarchie die haar macht uitstrekte naar het huidige Ligurië en Corsica. In Ferrara heerste de familie D’Este, in Parma en Piacenza het huis Farnese en in Mantua hielden de Gonzaga’s het uit tot in de 18e eeuw. In de Pauselijke Staat maakten lokale potentaten gebruik van de zwakte van het pausdom. In Rome streden de families Colonna en Orsini om de macht, in Rimini maakten de Malatesta’s de dienst uit en in Bologna, waar aanvankelijk een Volksraad regeerde, werd in de 15e eeuw de familie Bentivoglio de facto heerser.

Na de terugkeer van de paus naar Rome, in 1377, en het Concilie van Konstanz (1414-17) werd de pauselijke macht echter hersteld en de verloren steden onderworpen, waarna het pausdom zelf een speelbal werd van elkander bestrijdende facties en families als Riario, Della Rovere en Borgia. In het noordoosten tenslotte, wachtte Savoie zijn kans af: in volgende eeuwen zou dit wat slaperige, voor het grootste deel op Frans grondgebied gelegen, hertogdom de koningen leveren van Sardinië en vanaf 1860 van heel Italië.

Een verhaal apart is Florence dat in de veertiende eeuw de textielstad (ook nu nog) Prato veroverde, evenals Pistoia, Volterra en – in 1406 – aartsrivaal Pisa. Tegelijk maakte de stad een spectaculaire economische ontwikkeling door dankzij de groei van het internationale bankwezen, waarin families als de Bardi en de Medici de hoofdrol speelden, en een lakenindustrie die weliswaar af en toe werd opgeschrikt door opstanden van onderbetaalde wevers maar niettemin voor de vorming van grote kapitalen zorgde. Ook Florence bleef een republiek, maar in werkelijkheid had sinds de jaren ’30 van de 15e eeuw de bankiersfamilie der Medici het heft in handen. Stamvader Cosimo de’ Medici gedroeg zich nog als een wijze man op de achtergrond, maar zijn kleinzoon Lorenzo il Magnifico (traditioneel vertaald als ‘de Prachtlievende’) onderhandelde op gelijke voet met pausen en koningen en was daarnaast een groot sponsor van kunst en letteren. Het 15e-eeuwse Florence groeide uit tot een van de voornaamste centra van een nieuwe, wereldse kunst die zich liet inspireren door het realisme van de Oudheid en de hervonden antieke beelden en geschriften. Ook bracht het de grote politieke denker Niccolò Macchiavelli voort, die tegen het einde van de eeuw met het traktaat De Vorst een van christelijke moraal gespeende, maar niettemin zeer realistische handleiding voor het verwerven en gebruiken van macht schreef.

De Renaissance – de ‘wedergeboorte’ van klassieke kunsten en gedachten – verbreidde zich ook in steden als Venetië, Milaan en Rome – waar rond het jaar 1500 pausen als Alexander VI (Borgia), Leo X en Clemens VII (de laatste twee leden van de Medici familie) minstens zo actief waren als mecenas en bouwheer als de andere regionale Italiaanse heersers. Na de dood van Lorenzo de’ Medici in 1492 ging het geleidelijk aan bergafwaarts met Florence. Zijn zoon Piero werd in 1494 verjaagd in een opstand onder leiding van de fanatieke monnik Savonarola, die de stad veranderde in een theocratische republiek, tot hijzelf vier jaar later ten val werd gebracht en geëxecuteerd. In 1523 kwam ook aan de republiek een einde met de – door keizer Karel V gesponsorde – terugkeer van een andere Medici-telg, Alessandro il Moro (de Zwarte), die in 1532 de titel van hertog van Florence kreeg. Zijn zoon Cosimo werd in 1569, na de verovering en annexatie van Siena, zelfs groothertog van Toscane, een titel die het huis Medici behield tot het uitstierf, in 1737.

Bijwagen van Spanje

In 1494 viel de Franse koning Karel VIII Italië binnen, met dubieuze claims op het hertogdom Milaan en het Koninkrijk Napels, waar inmiddels ook een Spanjaard regeerde. Daarmee kwam een einde aan het wankele evenwicht tussen de vijf geopolitieke machtscentra op het schiereiland: Milaan, Venetië, Florence, Rome en Napels. De Spanjaarden reageerden met een tweede invasie en meer dan dertig jaar lang was Italië het toneel van een bloedige strijd. Rome werd andermaal geplunderd, in 1527, door soldaten van Karel V. Frankrijk en Spanje, de beide toenmalige grootmachten, werden bijgestaan door de verschillende Italiaanse staatjes die niet aarzelden om van bondgenoot te wisselen zodra dat in hun kraam te pas kwam. Uit die tijd stamt het spreekwoord Franza o Spagna, purché se magna (Frankrijk of Spanje, als er maar wat te eten valt), een opportunistisch credo dat in de Italiaanse politiek nooit weg is geweest. In 1532 trokken de verliezende Fransen zich terug en bleef het grootste deel van Italië achter als een soort van Spaanse kolonie. Tot 1700 werden Milaan, Napels, Sicilië en Sardinië bestuurd door onderkoningen van Spanje, dat tevens een protectoraat uitoefende over Florence en Genua. Eigenlijk waren alleen Venetië en de Pauselijke Staat nog onafhankelijk, terwijl Savoie onder Franse invloed stond.

De Spaanse periode was er een van langdurige stagnatie. De Spanjaarden beschouwden hun Italiaanse bezittingen als weinig meer dan wingewesten, noodzakelijk om de ruime levensstijl van de Spaanse adel en militaire campagnes tegen opstandige rijksdelen zoals de Nederlanden te bekostigen. Zij legden Italië een oerconservatief, handelsvijandig beleid en een orthodox-bigot katholicisme op. En terwijl het politieke centrum zich zo verplaatste naar Madrid schoof het economisch hart van Europa, na de ontdekking van de zeeroutes naar India en het Verre Oosten, geleidelijk op naar het Noorden. Met als gevolg dat rijk geworden families van ondernemers zich niet langer ophielden met zakendoen maar zich terugtrokken op riante buitens op het Toscaanse of Venetiaanse platteland. Het bloeiende, cultureel en economisch centrale, Italië van de Renaissance werd teruggebracht tot periferie van Europa, een positie waarin het volgens sommigen nog altijd verkeert.

De katholieke kerk ging het daarentegen voor de wind. Het protestantisme, dat na de lutherse Reformatie van 1517 grote delen van Noord-Europa had overtuigd, kreeg in Italië, mede dankzij een doeltreffend werkende Inquisitie, nauwelijks voet aan de grond. (Met uitzondering van een klein gebied in Piemonte. Hier sloten de Waldenzers, aanhangers van een proto-protestantse leer, zich in de 16e eeuw aan bij de Hervorming van Calvijn. Ondanks eeuwen van vervolging hebben zij het rond het stadje Torre Pellice tot op de huidige dag uitgehouden.) In de wereldpolitiek was de rol van de paus beduidend minder geworden, maar in Italië bleef de kerkleider invloedrijk. Dankzij de op het Concilie van Trento (1545-63) ingezette Contrareformatie, uitgevoerd door een reeks krachtige kerkvorsten, werd het Italiaanse schiereiland verrijkt met honderden barokke kerken en maakte Rome meer dan ooit furore als centrum van de (katholieke) Christenheid. De bouw van de huidige Sint Pieter duurde de hele 16e eeuw, om precies te zijn van 1506-1626, en Sixtus V, paus van 1585-90, legde de basis voor het moderne Rome, met zijn rechte wegen en met opgedolven obelisken bekroonde pleinen.

Oostenrijkers, Spanjaarden, Fransen

De dood van de laatste Spaanse Habsburgse koning, in 1700, dompelde Europa, en zeker Italië, weer in een halve eeuw van successieoorlogen. Het resultaat daarvan was dat in het Noorden de Oostenrijkers het voor het zeggen kregen. Lombardije werd rechtstreeks vanuit Wenen bestuurd en in Toscane regeerden verwanten van de keizer als groothertog. Het zuiden – de koninkrijken Napels en Sicilië – ging daarentegen naar een tak van de Spaanse Bourbons, die al gauw onafhankelijk van Spanje werd. Een andere Bourbon kreeg het hertogdom Parma toegewezen en werd daarmee de Bourbon de Parme, voorouder van de neven en nicht van onze koning.

De Oostenrijkers voerden aan het einde van de 18e eeuw onder de ‘verlichte despoot’ keizer Jozef II en de Toscaanse groothertog Peter Leopold een aantal hervormingen door waardoor het bestuur centraler, efficiënter en minder corrupt werd. In het zuiden bleef dat proces achterwege en voor veel Milanezen is dat ook nu nog te reden om te pochen op hun ‘Oostenrijkse’ traditie, als tegenstelling tot die van het achtergebleven ‘Bourbonse’ zuiden.

De in 1789 uitgebroken Franse Revolutie had grote gevolgen voor Italië. De idealen van vrijheid, gelijkheid en broederschap spraken veel intellectuelen en burgers aan en toen Napoleon in 1796 Italië binnenviel, werden op het hele Italiaanse schiereiland de traditionele heersers, inclusief de paus en de Venetiaanse doge, de laan uitgestuurd en vormden zich door de Fransen gesteunde republieken. Lang duurde het niet. De republikeinen vonden geen aansluiting bij de bevolking, de Franse troepen legden hoge belastingen op en toen Napoleon in 1804 zichzelf tot keizer kroonde, maakte hij van Italië een koninkrijk en was er van het democratisch ideaal niet veel meer over. Tot 1814 was Napoleon formeel koning van Noord- en Midden-Italië, en zijn generaal Joachim Murat koning van Napels. Alleen Sicilië stond onder controle van de Engelsen, die zich en passant toelegden op de productie van en handel in Marsala-wijn.

De Risorgimento

Na de val van Napoleon maakte het Congres van Wenen in 1815 de Franse hervormingen goeddeels ongedaan. De Bourbons keerden terug naar Napels, de paus kreeg zijn grondgebied in het Centrum terug, Oostenrijk maakte zich weer meester van Lombardije en annexeerde daarnaast ook Veneto. Het vertrek van de Fransen werd door weinigen betreurd. Toch werkte de nalatenschap van de Franse tijd lang door. In praktische zaken als het metrieke stelsel, een minder willekeurige rechtspraak en een beginnende industrie. Maar vooral in idealen als gelijkwaardigheid, nationale eenheid en medebeslissingsrecht. In heel Italië zwoeren nationalisten, liberalen en antiklerikalen samen tegen de teruggekeerde autocratische en conservatieve heersers. Het was het begin van de Risorgimento, de langzame en moeizame ‘wedergeboorte’ van het verenigd Italië. Dat leidde in 1820 en 1831 tot opstanden in naam van een verenigd democratisch Italië, die echter snel werden neergeslagen. In het Europese revolutiejaar 1848 vormden zich in heel Italië opstandige bewegingen die koningen en hertogen dwongen om nieuwe, meer democratische grondwetten uit te schrijven. Behalve in het noorden, waar de Oostenrijkse maarschalk Radetzky korte metten maakte met de revolutionairen in Milaan en Venetië. Maar ook in de rest van Italië kreeg het leger de overhand, waarna de democratische wetgeving weer snel werd ingetrokken.

De nationalisten, geleid door de liberaal Giuseppe Mazzini en de populaire generaal Giuseppe Garibaldi, aanvoerder van de giubbe rosse, in rode hemden gehulde vrijkorpsen, waren verslagen. Het was inmiddels duidelijk, dat zij de steun nodig hadden van een bestaande staat en leger en die vonden zij in de noordwestelijke uithoek van Italië, in Turijn. Hier was het voormalige hertogdom Savoie aan het begin van de 18e eeuw uitgebreid met het gelijknamige eiland tot het koninkrijk Sardinië. Een eeuw later, na de nederlaag van Napoleon, werd ook Ligurië toegevoegd waardoor het koninkrijk de grootste onafhankelijke staat in het noorden werd. Na het mislukken van de opstanden van 1848 was Koning Karel Albert van Sardinië de enige Italiaanse vorst die de democratische Grondwet, waarin voor het eerst ook aan religieuze minderheden als joden en protestanten burgerrechten werden toegekend, niet had herroepen. Dat maakte hem, en vooral zijn premier, Camillo Benso di Cavour, tot ideale bondgenoot voor de nationalisten. Cavour, de ware architect van de Italiaanse eenheid, sloot in het geheim een verdrag met de Franse keizer Napoleon III, die militaire steun beloofde voor Cavours plannen om Italië te herenigen onder de kroon van zijn koning. In ruil voor werden Savoie en Nice, nota bene de geboortestad van Garibaldi, geannexeerd door Frankrijk. Daarmee kwam de huidige Italiaans-Franse grens tot stand.

Na twee oorlogen tegen Oostenrijk, in 1859 en 1866, werden Lombardije en Veneto aan het koninkrijk toegevoegd. (De Oostenrijkers behielden vooralsnog de steden Trento en Triëst, die pas na de Eerste Wereldoorlog bij Italië kwamen.) In 1860 werden in heel Centraal-Italië – Parma, Modena, Toscane, Umbrië, De Marken en Emilia-Romagna – volksstemmingen georganiseerd waarbij steevast een overgrote meerderheid stemde voor aansluiting bij de nieuw te vormen Italiaanse staat. Datzelfde jaar landde Garibaldi met duizend vrijwilligers op Sicilië, waar hij in veel steden de steun kreeg van de plaatselijke burgerij, zodat hij na een drie maanden durende triomftocht verder kon trekken om ook Napels aan zijn zegekar te binden. Op 17 maart 1861 werd in het Parlement van Turijn het Koninkrijk Italië uitgeroepen en in 1864 werd Florence uitgeroepen tot hoofdstad, zij het maar voor korte tijd. Alleen Rome en de omringende streek Lazio bleven aanvankelijk in handen van de paus, beschermd door Franse troepen en katholieke vrijwilligers, de zogeheten zouaven, onder wie zich ook veel Nederlanders bevonden. Maar in 1870, toen de Franse soldaten teruggeroepen werden na het uitbreken van de oorlog tegen Pruisen, was het afgelopen met de Pauselijke Staat. Op 20 september – een datum waarnaar in elke Italiaanse stad wel een straat is genoemd – trokken Italiaanse troepen de stad binnen die nog datzelfde jaar hoofdstad werd van het voor het eerst sinds de val van het Romeinse Rijk herenigde Italië. Paus Pius IX trok zich verontwaardigd terug in het Vaticaan en verbood de katholieken om binnen de nieuwe staat politiek te bedrijven.

Het nieuwe koninkrijk was een arme staat. Van de circa dertig miljoen inwoners was bijna 80% analfabeet, 70% van  de actieve bevolking werkte in de landbouw en tussen 1876 en 1915 zagen niet minder dan 14 miljoen Italianen zich genoodzaakt om te emigreren. Niettemin werd in de jaren na de eenwording een spoorwegennet aangelegd, dat de verschillende regio’s met elkaar verbond en kwamen in het Noorden en Centrum textiel- en metaalindustrieën op gang. Maar het door opeenvolgende regeringen gevolgde vrijhandelsbeleid was funest voor de opkomende nijverheid in het Zuiden, die tot dan toe beschermd was door tariefmuren. Voor het Zuiden was het saldo van de eenheid daarom minder batig, zodat sommige Zuid-Italiaanse politici nu nog betogen, dat de eenwording in wezen weinig meer is geweest dan kolonisatie van het agrarische zuiden door het industriële noorden. Na de eeuwwisseling werd onder de liberale premier Giovanni Giolitti het kiesrecht geleidelijk aan uitgebreid: Italië kreeg algemeen mannenkiesrecht in 1919, terwijl vrouwen moesten wachten tot 1946. Tegelijk werd een begin gemaakt met arbeidswetgeving en sociale voorzieningen, terwijl het inkomen per hoofd langzaam toenam. Parallel daaraan vond een snelle groei plaats van de socialistische partij en van linkse en katholieke vakbondsbewegingen. Dat laatste was mogelijk geworden nadat paus Leo XIII met zijn encycliek Rerum novarum (1891) de regels voor deelname aan het maatschappelijke verkeer had versoepeld.

Vergeleken met de andere Europese grootmachten Groot-Brittannië, Frankrijk, Duitsland, Oostenrijk-Hongarije en Rusland was Italië toch maar een zwakke broeder, een frustrerende status die het land ook nu nog wel eens parten speelt. Vandaar dat de jonge staat meteen al een koloniaal rijk wilde opbouwen om ook voor vol te worden aangezien en om een uitlaatklep te vinden voor de armlastige boeren die jaarlijks met honderdduizenden tegelijk naar Amerika verdwenen. Het eerste doelwit was Tunis waar al een aanzienlijke Italiaanse kolonie was gevestigd. Maar de Fransen waren de Italianen voor en bezetten de stad in 1881. Het gevolg was een diplomatieke crisis – te vergelijken met de tegenwoordige Frans-Italiaanse na-ijver in Noord-Afrika –, die leidde tot de aansluiting van Italië bij Duitsland en Oostenrijk in de zogeheten Driebond. Italië moest zich tevreden stellen met Eritrea en delen van Somalië, waarna een Italiaans expeditieleger probeerde om Ethiopië te veroveren, maar in 1896 vernietigend verslagen in de Slag bij Adowa. Pas in 1911 durfden de Italianen weer een koloniale onderneming aan door een aanval op Libië, dat toen formeel nog deel uitmaakte van het krakkemikkige Turkse Rijk. Na een kortstondige oorlog werd het jaar daarop vrede gesloten, waarbij Italië naast de Libische gewesten Tripolitanië en Cyrenaica ook de Griekse eilandengroep Dodekanesos toegewezen kreeg. Maar het zou nog tot 1925 duren voordat Italië helemaal meester was van Libië, na een lange en bloedige guerrillaoorlog waar de Libische dictator Kadaffi later graag en vaak naar zou verwijzen.

Oorlog, fascisme, weer oorlog

Intussen was de aspirant wereldmacht al in een veel groter conflict verzeild geraakt. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in augustus 1914 was Italië nog bondgenoot van Duitsland en Oostenrijk. Maar onder de bevolking was de sympathie voor de ‘Teutonen’ niet groot en met Oostenrijk lag nog de kwestie open van de irredenta, de Italiaanstalige gebieden rond Trento en Triëst, waarop Italië al sinds de Risorgimento aanspraak maakte. Toen Engelsen en Fransen in het geheim deze gebieden aanboden als oorlogsbuit, was het voor Italië snel stuivertje wisselen geblazen en in mei 1915 verklaarde het de oorlog aan Oostenrijk en vervolgens ook aan Duitsland. Na een meer dan drie jaar durende, slopende loopgravenoorlog in de Sloveense en Friulische Alpen, waarin 650.000 Italianen sneuvelden, kon Italië als medewinnaar meedoen aan de vredesbesprekingen. Daarbij kreeg het inderdaad de fel begeerde irredenta, inclusief het Duitstalige Zuid-Tirol, maar het afgepeigerde land verkeerde in chaos.

In 1919-21, bekend geworden als de Rode Jaren, bezetten socialisten en anarchisten in het hele land fabrieken, in een poging om de Russische Revolutie van 1917 na te doen. Het resultaat was precies omgekeerd, namelijk de opkomst van het fascisme. De Fasci di Combattimento, letterlijk: scharen van strijders, was aanvankelijk een kleine agressieve club van oud-strijders, ultranationalisten en politiek ontheemden, zoals de leider van de beweging, de voormalige radicale socialist Benito Mussolini. De fascisten raakten al gauw verzeild in gewapende conflicten met de linkse revolutionairen en veel burgers kozen, geconfronteerd met de rode dreiging, voor het fascistisch alternatief. Na een dreigend ogende fascistische ‘Mars op Rome’ gaf koning Victor Emanuel III op 28 oktober 1922 – in de retoriek van het regime het ‘Jaar I van de Fascistisch Tijdperk’ genoemd – aan Mussolini opdracht tot vorming van een kabinet. In weinige jaren schakelde Mussolini de oppositie uit en vanaf 1925 was hij als Duce (afgeleid van het Latijnse dux: leider) alleenheerser. Alle andere partijen behalve de Partito Nazionale Fascista werden verboden, openlijke opposanten gevangen gezet of geïnterneerd, en de pers, met inbegrip van de alomtegenwoordige radio, getransformeerd in propaganda-apparaat.

Mussolini bij de Mars op Rome
Mussolini bij de Mars op Rome (foto: Wikimedia)

Aanvankelijk was het regime, mede dankzij een positieve conjunctuur, betrekkelijk populair, ondanks de vrijheidsbeperkingen en de steeds knellender controle van de OVRA, de geheime dienst. De agrarische en industriële productie, met bedrijven als Fiat, Edison en Pirelli, nam geleidelijk aan toe; grote openbare werken zoals de drooglegging van de Pontijnse Moerassen onder Rome zorgden voor werkgelegenheid en vruchtbare grond; en het conflict met de katholieke kerk werd bijgelegd in het Pact van Lateranen van 1929, waarbij de paus weer een miniem stukje eigen grondgebied in Vaticaanstad kreeg toebedeeld. Van het fascistische ideaal, een maatschappij waarin de verschillende beroepsgroepen, georganiseerd in ‘corporaties’, gezamenlijk het land besturen, kwam echter weinig terecht. Italië bleef een kapitalistisch land met wel een steeds sterkere staatsinvloed. Dat gebeurde vooral onder invloed van de grote economische crisis van de jaren ’30, die het regime noodzaakte om een reeks banken en andere ondernemingen te nationaliseren om hun faillissement te verhinderen. Dat proces is ook na de oorlog nog voortgezet, zodat particuliere- en overheidsbelangen in de Italiaanse economie nog altijd, meer dan elders in Europa, verstrengeld zijn gebleven.

Autoritaire regimes neigen ertoe om de bevolking af te leiden van binnenlandse problemen door een buitenlandse uitdaging. Zo ook Mussolini, die toen de economische crisis onder de arme bevolking steeds dramatischer werd, in 1935 Ethiopië binnenviel. Een jaar later kondigde hij, onder donderend applaus  van de menigte, vanaf het bordes van zijn kantoor op het Romeinse Piazza Venezia, de stichting aan van het nieuwe Imperium. Vervolgens stuurde hij troepen naar Spanje om zijn geestverwant generaal Franco bij te staan. Twee jaar later ging hij een verbond aan met Adolf Hitler en werden ook in Italië antisemitische wetten ingevoerd. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog bleef Italië aanvankelijk neutraal, maar in juni 1940, toen de Fransen al bijna het loodje hadden gelegd, verklaarde ook Mussolini hen de oorlog, in de hoop om mee te delen in de buit.

Het liep anders. Het Italiaanse leger was hopeloos slecht geoutilleerd en werd zelfs teruggeslagen door het zwakke Griekenland, totdat het Duitse leger te hulp kwam. Het kort tevoren veroverde Ethiopië viel in Engelse handen en een Italiaans expeditiekorps in Rusland verloor 75.000 doden. De meeste Italianen waren de oorlog danig zat en toen de geallieerden in juni 1943 Sicilië binnenvielen, werden zij dan ook onthaald als bevrijders. Mussolini werd door de Grote Raad van zijn eigen fascistische partij uit zijn ambt ontzet en gearresteerd, maar keerde na een spectaculaire bevrijdingsactie door Duitse commando’s terug als leider van de Italiaanse Sociale Republiek, een Duitse marionettenstaat in Noord-Italië, met Salò aan het Gardameer als hoofdstad. Deze republiek moest Zuid-Tirol aan Duitsland afstaan en verloor continu grondgebied aan de geallieerde opmars. Het land raakte verzeild in een bloedige strijd tussen fascisten en partizanen. Nadat de laatste Duitse SS-eenheden zich in april 1945 overgaven in Noord-Italië werd Mussolini door partizanen gearresteerd en vermoord. Op 25 april 1945, de dag die nu in Italië als Bevrijdingsdag wordt gevierd, werd Milaan ingenomen. Drie dagen later werd de gevallen Duce, na een mislukte poging om naar Zwitserland te ontkomen, door een partizaan gefusilleerd en zijn lichaam werd ondersteboven opgehangen aan het dak van een benzinestation in Milaan. De strijd was voorbij.

 

De Eerste Republiek

Een jaar na de oorlog werd het Italiaanse koningshuis, dat het fascisme door dik en dun had gesteund, weggestuurd na een volksstemming waarin een nipte meerderheid koos voor de republiek.  Er vormden zich twee politieke machtsblokken: de communistische partij PCI en de Democrazia Cristiana, die voor het eerst tegenover elkaar stonden in de algemene verkiezingen van 1948. De communisten, die veel goodwill hadden geoogst in de partizanenstrijd, hoopten op de overwinning, maar mede dankzij een felle campagne van de katholieke kerk ging de zege naar de DC, die maar liefs 48.5% van de stemmen verwierf en daarmee bijna een halve eeuw van politieke hegemonie inleidde. Anders dan het grote aantal opeenvolgende kabinetten doet vermoeden – 65 in de periode 1945-2017 – was het naoorlogse Italië een politiek redelijk stabiel land. De regeringswisselingen vonden meestal binnenskamers plaats, zonder tussentijdse verkiezingen, en de regerende partij was tot in de jaren 90 altijd de DC, met wisselende partners. De PCI bleef daarentegen steevast in de oppositie, vooral ook toen haar socialistische partner PSI toenadering zocht tot de DC, hetgeen sinds de jaren 60 leidde tot een reeks ‘centrumlinkse’ kabinetten. In internationaal verband was, en is, Italië hecht verankerd aan het westerse blok, als medeoprichter van de EEG (later EU) en trouw lid van de NAVO.

In de jaren 50 en 60 maakte Italië een snelle economische groei door, die bekend staat als het Miracolo Economico. Het inkomen per hoofd nam toe, vier van de vijf gezinnen verwierven een eigen huis en de wegen raakten snel vol met steeds meer Fiatjes waarvoor een voor die tijd indrukwekkend netwerk van autostrade werd aangelegd. Maar in de 70-er jaren kwamen kwamen er scheurtjes in de status quo. De macht van de kerk, en daarmee ook van de rechtervleugel van de DC, kraakte door twee referenda, in 1974 en 1978, waarmee het Italiaanse volk koos om respectievelijk echtscheiding en abortus toe te staan. Het openbare leven werd verstoord door een reeks omkoopaffaires – onder meer het ook in Nederland bekende Lockheed-schandaal, waarbij ook de toenmalige president Giovanni Leone betrokken bleek.

Daarnaast veroorzaakten aanslagen van terroristen angst, woede en onzekerheid. Tussen 1969 en 1988 zijn in Italië bij ruim 14.000 politiek gemotiveerde aanslagen 428 doden en circa 1.000 gewonden gevallen. Aan de ene kant ging het om groepen als de Rode Brigades, afkomstig uit de buitenparlementaire linkse oppositie die teleurgesteld waren door het falen van de studentenopstanden van 1968 en daarom naar de wapens grepen om de ‘bourgeoisstaat’ te bestrijden. Hun meest geruchtmakende ‘wapenfeit’ was de ontvoering van en moord op de christendemocratische leider Aldo Moro in 1977. Aan het andere uiterste van het politieke spectrum stonden neofascistische ‘zwarte terroristen’, die vaak met steun van agenten van de geheime diensten lukraak bommen plaatsten – zoals op het station van Bologna in 1980, waardoor 85 doden vielen – om een sfeer van chaos te scheppen en daarmee de roep om een sterke man en een autoritair regime te bevorderen.

Na het oprollen van de voornaamste rode en zwarte terroristische bendes volgde een nieuwe serie centrumlinkse kabinetten. Naast christendemocraten was er nu ook plaats voor premiers van andere partijen, zoals de republikein als Giovanni Spadolini (1981-82) en de socialisten Bettino Craxi (1983-87) en Giuliano Amato (1992-93). Het voornaamste machtsblok van de jaren ’80 stond bekend als het CAF, de voorletters van de drie bondgenoten van die jaren: Craxi en de DC-coryfeeën Giulio Andreotti en Arnaldo Forlani. Gesteund door een nieuwe hoogconjunctuur bereikten de overheidsuitgaven ongekende hoogten en kreeg elke sociale groep zijn zin: werknemers met regelmatige loonrondes; zelfstandigen met een officieus gedoogde massale belastingontduiking; industriëlen met zachte leningen van staatsbanken en protectionistische maatregelen; de kerk met een verregaande belastingvrijdom; de politieke partijen met vaak zwarte bijdragen in ruil voor openbare aanbestedingen en andere gunsten; en de maffia met een weinig effectief vervolgingsbeleid. Dat alles kostte natuurlijk veel geld en het is dan ook in deze periode dat de gigantische Italiaanse staatsschuld is ontstaan. Bovendien werd hierdoor de corruptie danig bevorderd en dat zou dan ook het einde betekenen van de Eerste Republiek.

De Tweede Republiek

Op 18 februari 1992 arresteerde de Milanese officier van justitie Antonio Di Pietro de directeur van een gemeentelijke verzorgingsinstelling voor ouderen, Mario Chiesa, tevens een prominente figuur in de plaatselijke PSI. Chiesa die vergeefs probeerde om de biljetten van zojuist geïncasseerde steekpenningen door de wc te spoelen, bleek bereid om te praten en lichtte de sluier op van een gigantisch systeem van corruptie, waarbij niet alleen hoge ambtenaren en ondernemers betrokken waren, maar ook politici van vrijwel alle partijen. “Christendemocraten stelen voor zichzelf, communisten voor de partij en socialisten voor allebei”, ging al jaren het gezegde en dat bleek in praktijk maar al te waar.

Niet alleen in Milaan, maar ook in Turijn, Rome, Napels. Palermo en tientallen andere steden werden netwerken opgerold die met elkander voor honderden miljoenen uit de staatsruif hadden gejat. Rijen ondernemers meldden zich vrijwillig bij Di Pietro en zijn collegae met het argument dat zij niemand hadden omgekocht, maar juist slachtoffer van afpersing door ambtenaren en politici die steeds hogere percentage van de aanneemsom voor zichzelf opeisten. Het hieruit voortkomende gerechtelijk onderzoek Mani Pulite (Schone Handen) betekende het einde van de traditionele partijen. Tientallen politieke kopstukken moesten zich voor de rechter verantwoorden, vaak voor enthousiast draaiende tv-camera’s. Craxi, die beschouwd werd als een van de voornaamste aanstichters van de geïnstitutionaliseerde corruptie, vluchtte naar Tunesië, waar hij 2000 stierf.

Over deze explosieve periode in de Italiaanse geschiedenis is onlangs een serie gemaakt, waarvan de seizoenen 1992 en 1993 inmiddels zijn uitgekomen.

Maffia

Tegelijk met de politieke crisis werd Italië opgeschrikt door een nieuw soort terrorisme, dat van de maffia. In 1991 waren meer dan honderd topgangsters in een ‘maxiproces’ veroordeeld tot zware straffen, veelal levenslang, die anders dan voorheen gebruikelijk, ditmaal in hoger beroep niet ongedaan werden gemaakt.

De toenmalige leider van Cosa Nostra, Totò Riina, zag dat als verraad door de rechters en politici die tot dan toe garant hadden gestaan. Daarom gelastte hij een militair aandoende reactie. Als eerste werd in maart 1992 de Siciliaanse DC-baas Salvo Lima in Palermo vermoord. In mei en juli volgden de twee bekendste antimaffiarechters, Giovanni Falcone en Paolo Borsellinio. In 1993 pleegden maffiosi aanslagen op musea en monumenten in Rome, Florence en Milaan. Maar uiteindelijk richtte de geweldsstrategie zich tegen de maffiosi zelf. De overheid reageerde – voor het eerst met brede openlijke steun van de Siciliaanse bevolking – met een arrestatieoffensief. Riina zelf kwam in 1993 in de cel terecht, waar hij zou blijven tot zijn dood in 2017, en de Siciliaanse maffia raakte in de daarop volgende jaren één voor één haar voornaamste leiders kwijt.

Te midden van de chaos sneuvelden de traditionele partijen, in een proces dat nu bekend staat als de wording van de Tweede Republiek. In 1994 hief de DC zichzelf op. In haar plaats kwamen een progressieve en een conservatieve katholieke partij. De kleinere partijen  – socialisten, liberalen en republikeinen – verdwenen van het toneel. Alleen de linkse democraten, zoals de ex-communisten zich sinds 1991 noemden, bleven bestaan. (Tot 2007, toen zij opgingen in de brede Partito Democratico.)

Forza Italia

Er ontstonden nieuwe partijen, vooral op rechts. De voormalig neofascistische MSI transformeerde in 1994 tot de rechtse volkspartij Alleanza Nazionale. De Lega Nord, tot dan een marginale noordelijke afscheidingsbeweging, groeide uit tot een brede antisysteempartij. En Silvio Berlusconi, mediamagnaat en voorzitter van AC Milan, zette zijn tv-zenders en zijn reclamebedrijf Publitalia in om propaganda te maken voor zijn pas opgerichte beweging Forza Italia, die volkomen onverwacht (voor zijn tegenstanders althans) de verkiezingen van maart 1994 won.

Berlusconi’s eerste kabinet duurde maar zeven maanden – zijn ongedurige partner Umberto Bossi van de Lega Nord trok de stekker eruit toen Berlusconi corruptie als misdrijf uit het Wetboek van Strafrecht wild schrappen – maar de volgende 20 jaar zou hij wel de centrale figuur in de Italiaanse politiek blijven.

Bij de verkiezingen van 1996 legde hij het af tegen Romano Prodi, de leider van de progressieve coalitie. Prodi zette een gedegen beleid in om de staatsfinanciën op orde te brengen – met onder meer een weinig populaire ‘eurotax’ om het begrotingstekort naar beneden te halen en zo te voldoen aan de toelatingsvoorwaarden voor de euro. Maar al na twee jaar werd hij beentje gelicht door zijn eigen bondgenoten, waarna een paar zwakke kabinetten volgden, tot de verkiezingen van 2001, die weer werden gewonnen door Berlusconi.

Diens tweede regeringsperiode werd gekentekend door de problemen van de hoofdpersoon zelf, verwikkeld in een lange reeks van processen en schandalen wegens corruptie, fraude, laster,  ontucht met minderjarigen, enzovoorts. Uiteindelijk is hij slechts éénmaal definitief veroordeeld, in 2013 voor belastingontduiking. Dat heeft hij te danken aan een legertje advocaten, aan een lepe vertragingsstrategie en aan een reeks voor hem op maat gesneden wetten, bekend geworden als de leggi ad personam, zoals bij voorbeeld de halvering van de verjaringstermijn voor witte boorden vergrijpen.

Tijdens zijn regering werd vooruitgang geboekt op het gebied van onder meer pensioenwetgeving en maffiabestrijding, maar aan andere wezenlijke problemen als de staatsschuld, de bureaucratie en de rechtsonzekerheid (vooral door de extreem lange duur van veel processen) werd weinig of niets gedaan. Op buitenlands gebied liet Berlusconi zich vooral kennen door ongelukkige uitspraken, zoals toen hij in 2003 aan het begin van het Italiaanse EU-voorzitterschap, de Duitse Europarlementariër Martin Schulz vergeleek met een nazi-kampbeul.

In 2006 won Prodi andermaal, maar met een minieme en uiterst gevarieerde meerderheid, van neocommunisten tot conservatieve katholieken, waarmee eigenlijk niet te werken viel. Zijn kabinet viel dan ook al twee jaar later, gevolgd door vervroegde verkiezingen die Berlusconi weer op het regeringspluche brachten. Ditmaal maakte hij de rit niet af. De gestaag toenemende staatsschuld, het halsstarrig ontkennen van de inmiddels ingetreden economische crisis en Berlusconi’s voortdurende problemen met de justitie maakten dat het internationaal vertrouwen in Italië zakte tot een nieuw dieptepunt.

Zakenkabinet

In november 2011, toen de rente op de Italiaanse staatsleningen gestegen was tot meer dan 5 procentpunten boven die van de Duitse, vond president Giorgio Napolitano het welletjes en verzocht hij Berlusconi dringend om af te treden. In diens plaats benoemde hij de voormalige eurocommissaris Mario Monti tot hoofd van een zakenkabinet, dat een jaar lang een strak financieel beleid voerde en het internationaal vertrouwen in Italië weer enigszins herstelde. Na een jaar bood Monti zijn ontslag aan om te worden opgevolgd door de jonge PD’er Enrico Letta, die de financiële teugels weer wat liet vieren om de broodnodige economische groei te stimuleren. Maar in februari 2014 werd Letta op weinig elegante wijze van het bord geschoven door de pas gekozen leider van zijn partij, Matteo Renzi.

De energieke Renzi zette een breed hervormingsprogramma in, dat onder meer heeft geleid tot een meer flexibele arbeidswetgeving, economische steun voor de lager betaalden, een onderwijshervorming en een verdere (noodzakelijke) verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd. Voorts sloeg hij in Brussel regelmatig met de vuist op tafel om extra geld vrij te kunnen maken voor economische stimuleringsmaatregelen. Maar de door hem ingezette Grondwetshervorming eindigde in een fiasco. De kern daarvan was een vereenvoudiging van de parlementaire procedure door de rol van de Senaat, die dezelfde bevoegdheden had (en heeft) als de Kamer van Afgevaardigden, drastisch te verminderen, en een duidelijke afbakening van de bevoegdheden van Staat en Regio’s die elkaar nu nog vaak overlappen.

Op zich een redelijk programma, en het parlement stemde er, na een lange en ingewikkelde procedure, ook mee in. De hervorming hoefde alleen nog bekrachtigd te worden door een volksstemming die op 4 december 2016 is gehouden. Maar Renzi, overmoedig geworden door de 41% die zijn partij haalde bij de Europese verkiezingen van 2014, overspeelde zijn hand door zijn politieke lot te verbinden aan de uitslag van het referendum. Met als gevolg dat allen die iets hem tegen hem hadden, onder wie ook een minderheid binnen zijn eigen partij, tegen stemden, niet omwille van de hervormingen maar om Renzi weg te krijgen. De stemming eindigde met 60% tegen en slechts 40% voor en Renzi zag zich genoodzaakt om af te treden.

Immigrantenstroom

Sindsdien neemt zijn voormalige minister van buitenlandse zaken Paolo Gentiloni de zaken waar. Gentiloni zet in grote lijnen het beleid van Renzi voort, zonder veel ophef te maken en vooral als tussenpaus in de aanloop naar de verkiezingen van maart 2018. Op één punt van beleid heeft zijn kabinet duidelijk vooruitgang geboekt, dat van de grootscheepse immigratie vanuit Noord-Afrika, met name Libië. Sinds de Arabische lente en het omvallen van het regime van kolonel Kadaffi in 2011 is een door criminelen georganiseerde stroom op gang gekomen van voornamelijk Afrikaanse migranten naar Italië – meer dan 150.000 alleen al in 2016 – via het Kanaal van Sicilië.

Paolo Gentiloni naast Donald Trump
Paolo Gentiloni naast Donald Trump (bron: YouTube)

Nadat jarenlang herhaalde verzoeken aan de overige EU-staten om ten minste een deel van hen op te nemen, bitter weinig hadden uitgehaald, gooide minister van binnenlandse zaken Marco Minniti het in de zomer van 2017 over een andere boeg: hij sloot een akkoord met burgemeesters en stamleiders binnen Libië om, in ruil voor economische steunprojecten, zowel de zuidgrens als de kuststrook van het land te bewaken. Volgens critici gooit hij het daarmee op een akkoordje met misdadigers, maar de immigrantenstroom uit Libië is sindsdien wel met zo’n 80% afgenomen.

Loading…