De tweede helft van de reis voert het minder bekende en dunbevolkte binnenland van Campania in. Toen de Strada Regia hier tegen het einde van de 18e eeuw werd voltooid, was dit nog een woest gebied waar reizigers al te vaak een prooi werden van briganti, roversbenden.

Daarom werd op elke 20 mijl een posthalte aangelegd met een taveerne, waar de paarden werden ververst en de reizigers veilig konden eten en overnachten. Luca Esposito heeft er op oude kaarten verscheidene daarvan teruggevonden, waarvan sommige nog als eethuis of B&B in gebruik zijn.
De kapel van Nocera
In Nocera Inferiore vinden we tussen lelijke nieuwbouw een vroegchristelijk juweeltje, het battistero (de doopkapel) van Santa Maria Maggiore. Het monument stamt uit de 6e eeuw en is niet alleen een symbool van de christenheid, maar ook van de Restauratio Imperii, het (tijdelijke) herstel van het Romeinse Rijk door de Oost-Romeinse keizer Justinianus (482-565), die Italië terugveroverde op de Ostrogoten.



Het monument staat op de resten van een Romeinse woning, waar nog een uitgegraven mozaïekvloer van te zien is en is gebouwd met hergebruikte zuilen van het Romeinse theater van de stad Nucera. Indrukwekkend is het doopvont zelf: een bassin omgeven door 15 maal 2 zuilen, waarin de dopeling kopje onder ging, zoals ooit Jezus in de Jordaan.
Het battistero is als Godshuis nog altijd in gebruik en trekt vooral nieuws- en leergierigen die de wegen van het massatoerisme vermijden. In de 17e en 18e eeuw was het een verplichte etappe voor jongemannen die de Grand Tour door Italië maakten en toen wij er waren kwam er een groep Chinezen een kijkje nemen.
De herberg der gehangenen
We rijden door de Piana del Sele, een vlak gebied waar een groot deel vandaan komt van de groenten die je in de Italiaanse supermarkt kunt kopen. In Serre stoppen we bij een – door Esposito van bramen en struikgewas bevrijde – gedenksteen uit 1779, waarop de toenmalige koning Ferdinando trots vermeldt hoe hij de Strada Regia heeft doorgetrokken tot aan Reggio di Calabria en daarmee zijn hele koninkrijk van een fatsoenlijke verbindingsweg heeft voorzien.

Die was echter niet voor de eeuwigheid bestemd want even verderop is de ‘koninklijke weg’ verworden tot een half dichtgegroeid landweggetje.

Tegenover de gedenksteen staat een roze geschilderd huis, dat bekend staat als de Taverna degli Impisi, de Herberg der Gehangenen. Het is een voormalige halte van de postkoets, waar gevangengenomen briganti werden opgehangen als afschrikwekkend voorbeeld.

Verderop valt de Strada Regia samen met haar antieke, Romeinse voorganger de Capua-Regium, ook wel bekend als de Via Annia, naar de Romeinse consul Titus Annius Luscus, die de weg in de 2e eeuw v.Chr. liet aanleggen.

De voor antieke Romeinse doorgangswegen kenmerkende basaltbestrating is nog goed zichtbaar, maar de glorieuze heirbaan waarover ooit Spartacus, Cicero, Karel V, Garibaldi en in 1944 terugtrekkende Duitse troepen liepen, is nu teruggebracht tot een gemeentelijke achterweg.
Bij Sicignano degli Alburni bereiken we de Osteria della Duchessa, die de structuur van het voormalige poststation nog heeft behouden: twee woonblokken met daartussen een afgesloten binnenplaats. Rechts de ruimte voor de paarden, links de eetgelegenheid voor de reizigers en het kantoor van de postmeester en op de verdieping de slaapplaatsen.

Vanaf de Osteria, die sinds kort in gebruik is als B&B, heb je een prachtig uitzicht op de Monti Alburni, een bergketen in de zuidelijke Apennijnen. De hoogste top is de Monte Panormo, 1742 meter, die je vanuit de Osteria, die op 600 meter ligt, in een paar uur kunt beklimmen. In het restaurant horen we later dat Duitse en Britse toeristen de Alburni, die een nationaal park vormen, al hebben ontdekt als bestemming voor trektochten.
De worstjes van Cicero
In het gehucht Lo Scorzo lunchen we bij Nonna Adele, een uit 1837 daterende trattoria, die een begrip is in de regio. Chi passa po’ scorz / e nun vene saziato / o è mort o è carcerato: Wie langs de Scorzo komt / en niet verzadigd raakt / is dood of zit in de bajes.

Het gedichtje in plaatselijk dialect is niet overdreven. Lo Scorzo is een van die ouderwetse eetgelegenheden, waar je eerlijke kost in ruime hoeveelheden krijgt toegediend. Met natuurlijk plaatselijke specialiteiten als de patate di Postiglione, stevige aardappels van de berg, en de fagioli di controne, kleine ronde witte bonen.

Heerlijk was de ciambotta, een gerecht van gesmoorde rode en gele paprika’s met olijven, kappertjes en paneermeel. En natuurlijk het pièce de résistance, de worstjes van Cicero.

De kok vertelt graag waarom ze zo heten: toen de Romeinse redenaar, op de vlucht voor zijn rivaal Marcus Antonius, in het jaar 43 v.Chr. door deze streek trok, schreef hij een trieste brief aan een vriend. Het enige lichtpuntje in zijn bestaan vormden de plaatselijke, met varkensvlees, peper en venkel bereide worstjes, aldus Cicero. Of de worst van nu nog net zo lekker is, weet ik niet, maar ik neem graag aan van wel.
De Romeinse brug

In Auletta wijst een richtingaanwijzer in the middle of nowhere naar een ‘Romeinse brug’. Die wordt bereikt na 10 minuten lopen op een pad tussen een graanveld en de kassen van een aardbeikwekerij. (De eigenaar daarvan is aanwezig en wanneer ik hem vertel dat ik Nederlander ben, spreekt hij meteen zijn bewondering uit voor de Landbouwuniversiteit van Wageningen, iets wat me vaker gebeurt wanneer ik in gesprek raak met Italiaanse agrariërs.)

De brug over de rivier de Tanagro, die deel uitmaakte van de Via Annia, was meer dan 1700 jaar in gebruik, maar van de oorspronkelijke 4 bogen zijn er nog maar 2 over en doordat de bedding van de rivier zich heeft verplaatst heeft die ook geen functie meer.


De brug is eeuwenlang verscholen geweest achter kreupelhout en bomen en is pas deze eeuw vrijgemaakt en gerestaureerd, zodat je nu in het lege akkerland plotseling een antiek monument gewaarwordt, en dat is toch een leuke verrassing.
De grotten van Pertosa
De derde dag wordt besloten met – om Monty Python te citeren – ‘something completely different‘. De grotten van Pertosa-Auletta zijn de enige in Europa waar een bevaarbare rivier, de Negro, doorheen stroomt.

Anders dan de meeste bezienswaardigheden van die dag zijn ze ook een bekende toeristische attractie. Vooral in de zomer, wanneer de constante temperatuur van 16 graden Celsius aangenaam koel is vergeleken met de gloeihitte buiten.

De grotten zijn in het verleden bewoond geweest en er zijn resten van paalwoningen en een hellenistische tempel gevonden. We worden per boot naar het begin gebracht van een kilometerslange tocht langs stalactieten, stalagmieten, holen, zalen en een onderaardse waterval, alles diffuus verlicht en dus goed zichtbaar.
Dicht bij de uitgang zijn graffiti achtergelaten door het Palestijnse Bataljon en de Joodse Brigade van het Britse leger, die hier samen bivakkeerden aan het eind van de Tweede Wereldoorlog. Al met al een betoverende ervaring.
Een consul met eigendunk
De laatste dag rijden we door de Vallo di Diano, een vruchtbare vlakte in het uiterste zuiden van Campania, naar een ravijn dat de 18e-eeuwse ingenieurs heel wat hoofdbrekens heeft bezorgd.
De oorspronkelijke doorgaande weg was hier zo steil, dat paarden regelmatig struikelden en koetsen omvielen. Met de Strada Regia werd dat opgelost door de aanleg van een viaduct en een reeks haarspeldbochten, die nog steeds worden gebruikt.

In het dorp Polla bekijken we de Lapis Pollae (de steen van Polla), waarin consul Titus Annius rond het jaar 132 v. Chr. een lofzang op zichzelf heeft laten beitelen. Hij meldt trots hoe hij de 321 mijl lange weg van Capua naar Regium (het huidige Reggio di Calabria) heeft laten aanleggen en hoe hij op Sicilië 917 ontsnapte slaven had gevangen en aan hun rechtmatige eigenaren teruggegeven.


Als document van antiek Romeins vernuft kreeg de Steen onder het fascisme een monumentaal voetstuk, waarop ook de fasces, het symbool van het toenmalige regime, niet mochten ontbreken.
Een doopkapel en een klooster in Padula
In de Vallo bezoeken we het Battistero di San Giovanni in Fonte, de doopkapel van de H. Johannes bij de Bron. Die bron is er inderdaad en werd in de Oudheid al als heilige plek vereerd, totdat de christenen in de 5e eeuw de boedel overnamen.



Het water dat eruit komt is kristalhelder en zo rein, dat er zoetwatergarnalen in kunnen leven, dus perfect geschikt om zonden en ongeloof weg te wassen. In de loop der eeuwen is de plek in de vergetelheid geraakt en pas in de tweede helft van de vorige eeuw is de onder bomen, struiken en stof verdwenen kapel weer tevoorschijn gekomen.
Omgeven door graanvelden, loofbomen en kwinkelerende vogeltjes is dit niet alleen een plaats voor rust en overpeinzing, maar ook een pleisterplaats op de wandel- en fietsroutes, die in de Vallo zijn uitgezet. Zoals de cammino del Negro,die de loop van de rivier met die naam volgt.

Het tegen een berg aangeplakte stadje Padula is bekend als de geboorteplaats van Joe Petrosino, een van de eerste vooraanstaande slachtoffers van de maffia. De emigrant Petrosino werd in New York commissaris van politie en keerde terug naar Italië on de banden tussen de Siciliaanse maffia en de Amerikaanse Cosa Nostra te onderzoeken, om vervolgens in 1909 in Palermo te worden vermoord.

Maar de stad kan vooral bogen op de Certosa di Padula, een in 1306 gesticht kartuizerklooster, dat in de daaropvolgende eeuwen steenrijk werd en 350 kamers telde. Het kloosterhof van 15.000 m2 is het grootste van Europa en toen keizer Karel V in 1536 op bezoek kwam, bakten de monniken voor hem een omelet van duizend eieren.






Van die rijkdom is veel verdwenen. Aan het begin van de 19e eeuw roofden soldaten van Napoleon het klooster leeg en in 1867, na de Italiaanse eenwording, werden kloosterordes opgeheven en hun bezit geconfisqueerd.
In de Tweede Wereldoorlog was het klooster in gebruik als concentratiekamp, daarna is het opengesteld als museum en Sofia Loren en Omar Sharif namen er in 1967 de film C’era una volta op. Het klooster zelf, de barokke kapellen, de antieke tegeltjeskeuken, de fresco’s op de muren en de gigantische binnenplaats maken ook nu nog grote indruk.
De herberg van Garibaldi
Een goede reis dient afgesloten te worden met een goede maaltijd en die kregen we ook, in de Taverna Garibaldi, gelegen aan de oude Strada Regia, in de gemeente Casaletto Spartano, op de grens van Campania en Basilicata.
Garibaldi, de ‘Held van Twee Werelden’, heeft hier inderdaad verbleven tijdens zijn opmars in het jaar 1860. De ruimte waar hij met zijn staf overlegde is nu heel prozaïsch in gebruik als opberghok, en voor de rest is er aan de Taverna, die in de 18e eeuw ontstond als een militair bolwerk, niet zo veel veranderd.

Ook de lunch is een klassieker: een volle tafel met alle mogelijke plaatselijke specialiteiten: ansjovistaart; rauwe ham van zware varkens (nero calabrese en nero casertano); gefrituurde courgettebloemen; drie soorten kaas (caciocavallo podolico, burrino en caprino); ravioli; gesmoorde andijvie; ciambotta van paprika, aubergine, tomaat en ui, alle apart bereid ven daarna samengevoegd vanwege de verschillende kooktijden; bergaardappelen; gepaneerde en gefrituurde bakkeljauw; kalfsvlees van de podolico, een Zuid-Italiaans ras van magere en smakelijke bergrunderen.
Ondertussen vertelt een stamgast, dat ook deze herberg, die in het Nationaal Park Cilento ligt, een bekend vertrekpunt is voor fiets- en trektochten, waaronder het bekende Sentiero Italia. Dat moeten we later nog maar eens uitproberen.

Comments