in ,

Column: op bezoek bij Giacomo Puccini in Lucca

Het geboortehuis van Puccini in Lucca (foto: Puccini Museum)

Tijdens mijn vakantie heb ik altijd lekker veel ‘tenor-dagen’. Dat zijn voor mij dagen dat ik zo’n 14 uur per dag bezig ben met muziek, door de studie van de partituren van onder andere de Traviata, Rigoletto, Madame Butterfly en de Bohème.

Daarnaast doe ik oneindig veel stemoefeningen en wissel ik het studeren af met het geven van eigen concerten en bezoek ik graag stadjes waar de grote Italiaanse operasterren en -schrijvers hebben gewoond.

Zo was ik vorig jaar in Modena in het huis van Luciano Pavarotti, weet ik sinds kort waar in Florence Mario del Monaco heeft gewoond en staat het huis van Caruso, net buiten Florence, nog op mijn to-do-list om te gaan zien.

Via de Bohème naar Lucca

Het repeteren van het Che gelida manina uit de Bohème van Giacomo Puccini inspireert me om meer te weten te komen over het leven van Puccini. Hoewel ik veel meer Verdi dan Puccini studeer op dit moment (voor Puccini heeft je stem nog wat meer ‘gewicht’ nodig) en ik daardoor meer van Verdi dan Puccini af weet, kan ik mijn nieuwsgierigheid niet bedwingen om op onderzoek uit te gaan wie die Giacomo dan precies was. En om meer van Puccini te weten, moet je allereerst afreizen naar Lucca, zijn geboortedorp.

Casa Puccini

Eenmaal de stad ingelopen zie ik al snel de bordjes naar het ‘Casa Puccini’, dat aan een van de vele pleintjes ligt. Ik loop naar het ticketoffice voor een kaartje. De verkoopster kijkt me meewarig aan als ze mijn grote glimlach ziet en ik met glinsterogen mijn entreebewijs koop. ‘Dit zou zo maar eens heilige grond voor me kunnen zijn, mevrouw, vandaar dat ik zo glimlach’.

Ze schiet in de lach: ‘Operazanger zeker? Ja, die lachen hier altijd!’ Ze geeft me de instructies ‘u loopt schuin het plein over en dan ziet u de ingang. Daar moet u aanbellen en dan is het op de tweede verdieping.’

Even kijk ik haar fronsend aan. Aanbellen? denk ik bijna hardop. Alsof Puccini straks zelf de deur open doet en de koffie klaar zet.

Ik steek het pleintje over en met enige twijfel bel ik aan en een tel later hoor ik een mannenstem door de intercom: ‘Welkom! Heeft u een kaartje? Mooi, dan laat ik u binnen. Tweede verdieping.’

Totaal in de war loop ik het pand binnen en klim naar de tweede verdieping. Daar staat een deur op een kier. Ik klop aan en duw de deur open. De stem van Renata Tebaldi, die het Vissi d’arte, Vissi d’amore uit Puccini’s Tosca zingt, galmt door de kamer.

Er zit een jongen achter de balie die me glimlachend begroet. ‘Welkom. Hier het plattegrondje met alle instructies. Veel plezier. U bent de enige.’

Met ingehouden adem loop ik het eerste vertrek binnen. Er staan vitrinekasten met handgeschreven partituren. Het is Puccini’s handschrift en op het bordje staat geschreven dat het de eerste versie van de Bohème is. Ik kan mijn ogen niet geloven. Dit is zijn echte werk! Dit is allemaal van hém! Ik krijg er kippenvel van.

Terwijl de verschillende opera aria’s me door de vertrekken begeleiden, zie ik kostuums en scènes van zijn verschillende meesterwerken. Veel boeken, veel geschriften. Bladmuziek waarop gepriegelde correcties staan, aantekeningen bij de decorstukken. ‘Deze man moet extreem perfectionistisch zijn geweest. Bijna briljant gek,’ mompel ik in mezelf.

Maar wie is Puccini nou?

Na een tijdje rondgelopen te hebben en vooral de rust en de harmonie van deze perfectionist te hebben ervaren (zelf zijn huis is een genot voor het oog met alle kleine details. Ik moet zeggen, hij had wel smaak!), loop ik terug naar de jongen aan de balie. Hij ziet dat ik ontroerd ben en enigszins ontdaan vraag ik hem wie Puccini nou werkelijk was. Zijn verhaal was meer dan fascinerend.

‘Ik werk al een paar jaar voor de Fondazione Giacomo Puccini hier in Lucca en heb veel over hem gelezen. Sterker nog, Puccini is praktisch onderdeel geworden van mijn leven,’ begint hij zijn verhaal. Zijn ogen twinkelen.

‘Puccini was in het begin helemaal niet zo briljant als je denkt. Hij was geen virtuoze Mozart, eerder een vrijbuiter: veel drank, veel vrouwen. In Lucca studeerde hij muziek en ging vervolgens naar Milaan waar hij doorstudeerde aan het conservatorium, waar hij de Bohème en de eerste versie van Madame Butterfly schreef. Die laatste was rampstuk, mensen vonden er niets aan. Tot hij het herschreef en… het een van zijn grootste successen werd.’

Mascagni, Verdi en Toscanini

Eenmaal in Milaan aangekomen, had Puccini Pietro Mascagni als kamergenoot. Een maatje aan wie Puccini zich kon optrekken, want Mascagni was zeer gedisciplineerd en liet Puccini kennismaken met de complexe muziek van Wagner.

Toen hij later ook nog met Toscanini in aanraking kwam (die zijn orkest wist te drillen alsof het een leger was), wist hij dat hij zich moest laten inspireren door en optrekken aan hen die beter waren dan hij. En dat heeft hij gedaan. Zijn bronnen waren kunstenaars, artiesten en componisten die hem inspireerden tot het maken van de meest complexe decors en kostuums en het schrijven van technisch enorm ingewikkelde opera’s,

Het geheim

‘Maar wat is dan het geheim van zijn perfectie?’ vraag ik de jongen. ‘Nou’, zegt hij, ‘ik denk dat hij, toen hij eenmaal wist dat hij dit wilde doen, altijd ervoor heeft gezorgd dat hij werd uitgedaagd door mensen tegen wie hij opkeek en besloot het tegendeel te bewijzen: hij kon echt wel wat.’

Hij kijkt me even aan terwijl ik nadenk over zijn woorden. ‘Wauw, dat is eigenlijk wel heel gaaf’, zeg ik uiteindelijk. ‘Want dit zijn de thema’s die nu ook spelen in de (Italiaanse) maatschappij. Wij mogen ook allemaal meer uitgedaagd worden om het beste in onszelf naar boven te halen en iedere dag 100% van onszelf te geven.’

‘Juist,’ zegt de jongen. ‘Zo zie je maar dat we nog heel veel van het verleden kunnen leren, mochten we de inspiratie vandaag de dag in de maatschappij niet vinden. Gelukkig is het opgeschreven en hebben we de geschiedenis nog.’

Ik dank de jongen hartelijk voor alle uitleg en nog denkend aan alles wat hij gezegd heeft, loop ik weer naar buiten. Vanuit het trappenhuis hoor ik het Nessun Dorma uit de Turandot, de laatste en helaas onvoltooide opera van Puccini. Hij stierf voor hij het einde kon opschrijven en liet dat over aan andere componisten.

Het standbeeld van Puccini in Lucca
Het standbeeld van Puccini in Lucca (foto: Wikimedia)

All’Alba vincerò… bij de dageraad zal ik winnen. Terwijl de deur achter me dichtvalt, zie ik schuin voor me het standbeeld van een trotse Puccini die uitkijkt over zijn plein, wetend dat hij ondanks een moeilijke start van zijn carrière bij iedere dageraad heeft gewonnen.

Website Puccini Museum:
http://www.puccinimuseum.org/en/

Column: op bezoek bij Giacomo Puccini in Lucca
Beoordeel dit artikel

Reinout Bosman

Geschreven door Reinout Bosman

Reinout Bosman is een veelzijdige internationale spreker, schrijver en marketeer. 'Al jaren ben ik gefascineerd door Italië en al zijn facetten en schoonheden. Op jonge leeftijd ben ik verliefd geworden op Italië, waar ik al een aantal jaren woon. Als ‘import-Italiaan’ leer ik iedere dag weer van dit charmante en cultureel rijke land. En sta ik af en toe versteld van de dagelijkse gebeurtenissen die zowel hilarisch als bizar kunnen zijn. All’italiano, laten we dat maar concluderen.'

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Loading…

140 nieuwe Italiaanse recepten van Jamie Oliver

Italiaans kookboek: Jamie kookt Italië

Italiaans kookboek: De Pizza Elementen